Renske: Niet geschikt voor Skyfall

Gisteren bezocht ik de film Skyfall. Nadat recensenten de film hadden overladen met sterren en lof was ik nieuwsgierig geworden. Ik was al heel lang niet meer naar een Bondfilm geweest en in de bioscoop gisteren begreep ik weer waarom: ik ben er helemaal niet geschikt voor. (Deze column bevat spoilers. Geen belangrijke spoilers – ik zal voor me houden dat Jar-Jar Binks James’ vader blijkt te zijn – maar toch: wees gewaarschuwd als je echt helemaal níks wilt weten.)

En terwijl ik de sombere toekomst van Mehmet overpeins, is de film alweer afgelopen

De film begint met een achtervolgingsscène in het centrum van Istanbul. Bond zit samen met een sexy mede-agente de man achterna die net een uiterst belangrijke harddisk heeft gestolen. Zij zit achter het stuur, twee achteruitkijkspiegels sneuvelen, als het haar lukt om naast hem te komen rijden, schuren de metalen deuren tegen elkaar in hun driftige pogingen de ander van de weg te duwen. En net als ze bij een tjokvol marktplein komen, ik benadruk: een marktplein vol met op hun gemakje shoppende mensen, zegt Bond iets als: „Laat mij maar even” en geeft zo’n ruk aan het stuur dat hun auto een marktkraam invliegt en de andere auto klemzet. De massa stuift gillend uiteen, kraampjes gaan neer, tegemoet snellende politieagenten op brommers botsen op elkaar, sinaasappels rollen over de grond. Iedereen krabbelt uit de auto en de achtervolging gaat weer verder, ditmaal op twee daar nu toch rondslingerende politiebrommers, maar ik volg het niet meer echt – ik ben nog bij dat marktplein.

Je zal toch maar een brave Turkse sinaasappelverkoper zijn, die op een dag moet toekijken hoe 007 pontificaal zijn bolide in jouw koopwaar plant. Geen sorry, geen achtergelaten telefoonnummer om even rustig de schade te bespreken, geen boeketje chrysanten. Ik zie voor me hoe deze man, Mehmet, ontredderd achterblijft. Hoe hij met de punt van zijn schoen tegen een blubberige, platgereden sinaasappel tikt, hoe hij staart naar de gruizige restanten van zijn kraam. Over een paar dagen zou hij zijn tweejarig jubileum als zzp’er in de sinaasappel-retail-business vieren. Een mijlpaal. En nu dit. Mensen hadden hem genoeg gewaarschuwd toen hij zijn kraam kocht: „Doe het niet, de sinaasappel is op z’n retour”, „het grote geld zit ’m in mandarijntjes” en „het is zo zonde van je talent voor kernfysica”. Maar Mehmet had niet willen luisteren. Hij had al zijn energie en geld in zijn passie voor vruchten gestoken en nu lag zijn kraam in pulp. Geen inkomsten. Geen toekomst. Wat moest hij zijn kinderen vertellen? Wanneer zou de dag aanbreken dat ze, gekleed in een vuilniszak, met bibberende stem tegen hem zouden zeggen: „Het is niet erg, papa, we zijn juist dol op strokarton voor ontbijt”? Er zat niets anders op: met een bedrukt gemoed verzamelde hij de overgebleven kraamrestanten en twee geplette sinaasappels, om vervolgens met behulp van een flosdraadje een kernbom te creëren en te dreigen deze op het hoofdkwartier van de Britse geheime dienst te laten vallen.

En terwijl ik de sombere toekomst van Mehmet overpeins, is de film alweer afgelopen en zit iedereen al lang en breed aan de flesjes Heineken. Nee, ik ben niet geschikt voor Bondfilms.