Joris Luyendijk: Broer

Weer eens wat anders. Laatst vroeg een Indiase man of ik al een broer van een zakenbankier had geïnterviewd.

Goldman Sachs heeft mij m’n broer afgenomen

Ik moest even grinniken, maar hij zei: je hebt toch ook al echtgenotes, vriendinnen en ex-en gesproken?

Dit klopt. Ik spreek hoofdzakelijk bankiers die zich opgeven via mijn blog op de website van dagblad The Guardian. Dat levert een zogeheten selectie-bias op; ik krijg waarschijnlijk disproportioneel veel figuren met grieven. Intussen is de kans ongeveer nul dat een ‘master of the universe’-zakenbankier bij Goldman Sachs zijn of haar ziel open legt voor een journalist.

Vandaar die gesprekken met (ex-)partners, zo verbreed ik enigszins mijn visnet, zou een Brit zeggen. Maar een broer? Waar houdt dit op, zei ik lachend. Binnenkort exclusief in uw krant: een interview met de achternicht van de postbode van een zakenbankier.

De Indiase man haalde vriendelijk zijn schouders op, en zei: „Ik dacht, ik stel het gewoon voor. Ik heb altijd het gevoel gehad dat Goldman Sachs mij m’n broer heeft afgenomen.”

Tja, zo’n zin kon ik toch niet laten lopen en dus zaten we een paar dagen later bij een ‘pint lager’ te praten over zijn jeugd. Laat ik hem Gupta noemen, een vrolijke kerel van begin 30 met een IT-achtergrond. Vijftig jaar terug kwam zijn vader met ‘minder dan 10 pond in zijn zak’ naar Groot-Brittannië. Werkte keihard zodat zijn zoons naar een privéschool konden, waar Gupta’s oudste broer het schopte tot ‘head boy’ – Britse scholen zijn meedogenloos competitief. Daarna een ‘first’ op Oxford/Cambridge, en toen een baan bij Goldman Sachs, de top van de top.

„Ik herinner me mijn broer helemaal niet als permanent boos”, vertelt Gupta. „Maar toen hij naar de universiteit ging, en helemaal nadien bij Goldman, was hij altijd kwaad. Hij moest extreem veel werken om zich daar te bewijzen, en wanneer hij dan voor Kerst een paar dagen naar het ouderlijk huis kwam, had hij stapels werk bij zich. Ik woonde nog thuis en was blij hem te zien. Maar hij bekte me af: ik ben aan het werk, okay?”

Hij blijft mijn broer, zegt Gupta, maar hij is zo anders geworden. Zijn broer verhuist iedere twee jaar zodat hij geen belasting hoeft te betalen. Hun vader stemt zijn hele leven Labour, „al was het maar om het racisme van de Tories in de jaren 60”. Broer is een totale Thatcher-fan. „Ik zeg wel eens dat belastingen een samenleving bij elkaar houden. Dan gromt hij en zegt zoiets als: ja, voor al die één-benige muesli vretende hippies zeker. Geen idee wat bankiers toch tegen één-benige mensen hebben.”

Wat Gupta wil zeggen: zijn broer lijkt een ‘transactioneel’ persoon geworden, die de kwaliteit van zijn bestaan meet in geld en die over vriendschap praat als investeringen die al dan niet renderen. En hij wordt ontzettend boos als je hem erop wijst dat hij deel uitmaakt van een gemeenschap.

„Ik hou nog steeds van ’m, natuurlijk”, zegt Gupta nog maar eens. „Als tienjarig ventje droomde ik van een tijdmachine, zodat we terug konden naar toen we nog een familie waren. Het was alsof hij ons had gedumpt voor een wereld die ik nooit zou begrijpen, en dat dit een logische keuze was omdat die wereld zoveel beter was dan de onze. Op zulke momenten voelde ik me heel klein.”