Aaf Brandt Corstius

Columns door Aaf Brandt Corstius



Als ik een gênant boek koop (Mannen komen van Mars, Vrouwen van Venus of He’s Just Not That Into You) mompel ik bij de kassa altijd dat het ‘voor mijn werk’ is. Wat voor werk ik doe, weet de winkelbediende natuurlijk niet. Het kan hem waarschijnlijk ook niets schelen.

Ik mummelde ook beschaamd ‘voor m’n werk’ toen ik kort geleden The Black Book of Hollywood Pregnancy Secrets afrekende. Pas toen ik de winkel uitliep, bedacht ik me dat de verkoper dat echt niet zou geloven. Ik heb tegenwoordig namelijk nogal een toeter van een zwangere buik, en ook de rest van mijn lichaam is erg zwanger ogend, hebben mensen mij verteld, maar dat kan ik zelf niet beoordelen, want mijn buik ontneemt mij het zicht op bijna al mijn ledematen. Ook wel rustig.

lees verder

Aan mijn twitterende broer stel ik steeds dezelfde twee vragen: ‘Waarom twitter je?’ en ‘Waarom lees je tweets van anderen?’

Hij kan me daar geen bevredigend antwoord op geven. Eigenlijk kom je met iedereen – pro-Twitters en anti-Twitters – op dezelfde conclusie uit: mensen twitteren altijd dat ze een boterham met pindakaas hebben gegeten, en dat is niet interessant. En toch blijven ze twitteren, en tweets van elkaar lezen.

De enige reden dat je misschien het getwitter van een ander zou willen lezen, kan ik me voorstellen, is dat diegene beroemd is. Het is anders om te lezen dat Paul de Leeuw een pastasalade heeft bereid, dan dat de man van je ex-collega een pastasalade heeft bereid.

lees verder

In HP De Tijd van deze week staat een illustratie van vier beroemde doden: Theo van Gogh, Martin Bril, Michaël Zeeman en André Hazes. Ze zijn na hun dood te uitgebreid bewierookt, staat er aan het begin van het artikel.

Ik was benieuwd waarom ze te uitgebreid bewierookt waren. Hadden zij hun stukjes niet zelf geschreven, hun briljante liedjes niet zelf uit het rijmwoordenboek gedestilleerd?

Het stuk bleek gebaseerd op de ervaringen van één HP De Tijd-medewerker, Jan Zandbergen, met deze vier mannen. Met Theo van Gogh had hij een keer ruzie gehad in een auto. Michaël Zeeman had hij ooit ontmoet op het Boekenbal. Over André Hazes repte hij überhaupt met geen woord. Weinig nieuws dus, over die doden.

lees verder

Geheel onverwachts ben ik gegrepen door het WK Atletiek in Berlijn. Mijn interesse werd gewekt door een Duitse speerwerpster – niet winnares Steffi Nerius, maar een mindere godin.

Die speerwerpster, van wie ik de naam niet meer kan achterhalen, want alleen winnaressen halen het nieuws, was blond, stevig en nogal Bataviers van uiterlijk. De ideale bouw voor het werpen van een speer. Ze wierp, keek en zag dat het niet goed was. Toen maakte ze een agressief gebaar met haar armen en stootte een klank uit die ik niet fonetisch kan reproduceren, maar die licht benaderd wordt door ‘HaWOEa!’

lees verder

I k kende alleen het Nederlandse weeralarm. Wat je bij dat alarm voor weer aantreft, blijkt niet echt uit het woord. Het is gewoon een paniekerige term voor wind, regen, en af en toe een donderslag. Het betekent: ‘Blijf binnen, en als je dan per se in de regen wilt ronddansen, zeur dan niet als er een tak op je hoofd valt.’

In Italië en Spanje is nu het hittealarm afgeroepen; dat is tenminste duidelijk. Alhoewel – voor mijn gevoel zat ik in Frankrijk in een aanhoudend hittealarm, waarbij ik meerdere bossen zag affikken en het prefectoraat van ons departement een barbecueverbod afriep. Maar niemand repte daar van een hittealarm. Toch is het in Italië en Spanje niet warmer dan het in Frankrijk was; om en nabij de veertig graden.

lees verder

Als ik na de vakantie weer eens ergens heen wil fietsen, merk ik dat mijn fiets een hoop heeft meegemaakt in mijn afwezigheid. Het ventiel van de voorband is eruit gedraaid en in mijn fietstas vind ik de portefeuille van een beroofde man. Het geld is eruit, de rest zit er nog in.

Het is alsof mijn buurt zegt: ‘Welkom terug! Jij hing in een hangmat naar een idyllische berg en een klaterend riviertje te kijken, maar hier, in de ex-Ella Vogelaarbuurt, ging het harde leven gewoon door.’

lees verder

Wat ik tijdens vakanties in Frankrijk het liefst doe is Franse roddelbladen lezen. Op een terras, met een café crème, nog net niet met een baret op. Natuurlijk begin ik altijd met het intellectuele roddelblad Paris Match (met Sharon Stone en nieuwtjes uit Iran), om vervolgens af te zakken naar Ici Paris en Voici. Daarin staan allerlei mensen, vaak topless, die ik op geen enkele manier kan kennen, maar na weken studie ken ik ze allemaal.

Vast onderdeel van de bladen is Johnny Halliday, een oude zanger met grijs haar en twee koddige adoptiekinderen. Elke week gebeurt er iets met Johnny Halliday. Hij stort in, hij leeft weer op, hij adopteert nog eens een kind, hij wordt gesignaleerd met een nieuwe leren jas, hij heeft een nieuwe visie op het leven ontwikkeld – en daar doen Paris Match en co ademloos verslag van.

lees verder

Ik vind het aardig als mensen mij vragen hoe mijn vakantie was. Maar het is wel een moeilijke vraag om te beantwoorden, omdat er nagenoeg niets gebeurd is. Ik heb onder een boom gezeten in mijn bikini. Af en toe liep ik naar het wc-huisje van de camping. Daar deed ik dan een plasje. Als je zwanger bent, moet je vaak plassen.

De tocht naar het wc-huisje telde precies honderdtweeënzeventig stappen. Na twee weken had ik het pad naar de wc uitgesleten tot een diepe loopgraaf. Mijn eigen, persoonlijke loopgraaf van honderdtweeënzeventig stappen. Maar dat zijn toch niet de fleurige anekdotes waarmee je thuis hoort te komen.

lees verder

Het was groot zomerkomkommerwereldnieuws: één Franse krant had geschreven dat minder vrouwen topless zonnen, en alle kranten namen dat vervolgens over. Het nieuws haalde zelfs het Jeugdjournaal. Kinderen, zo bleek uit het item, zijn er fel op tegen dat vrouwen topless zonnen.

Zelf was ik als kind een topless-voorstander, want zo kon ik op het Noord-Hollandse strand urenlang met mijn broer en zus lachen om de vele en veelvormige borsten die ons omringden. Later in mijn leven ontwikkelde ik het raadspel ‘nep of niet nep?’

lees verder

Vanaf maandag is het tijd voor het eeuwenoude, voorgekookte Zomergasten-nagesprek. „Ik vond de presentator beter/slechter dan vorig jaar.” „Ik vond de fragmenten fascinerend/heel saai/fascinerend, maar toch heel saai.” „Ik vond de gast te highbrow/te lowbrow/ik wist eigenlijk pas na twee uur wie het was.” „Ik vond de Piet Hein Eektafel er nog opvallend nieuw uitzien.” En, als klap op de vuurpijl: „Het was vroeger toch beter.”

Tot die tijd moeten we het doen met andere zomer-tv, en daarvoor heb ik een dwingende suggestie: Ik kom bij je eten. Dagelijks op RTL4. Als ik ooit in Zomergasten zou zitten, zou ik heel veel fragmenten uit Ik kom bij je eten laten zien.

lees verder