Maartje Wortel

Columns door Maartje Wortel



De laatste keer dat ik in Artis was, is niet zo lang geleden. In de zomer nog. Het was uitzonderlijk warm, mensen werden ontslagen wegens overmatig zweetgedrag, er stonden dagelijks files richting de kust. Werkelijk bloedheet was het, te warm om naar de dieren te kijken eigenlijk.

Ik ging ook niet voor de dieren. Er was een concert; om de zomer door te komen. En toen was het ineens (geheel onverwacht) winter. Nu. En een winter is het. Een winter is het.

Ik ken niet alle mensen in Nederland ofzo, dus daar kan ik eigenlijk ook niet echt over oordelen, maar iedereen heeft wel wat gezegd over het weer. Ook Balkenende en Rob Trip en mensen op straat ,aan de telefoon, op Facebook en monarchisten via de ingezonden brief.

lees verder

Bij de kassa staat een man met een kind. „Ik wil graag één kaartje voor het kind”, zegt hij. Daarna wil hij doorlopen.

Het meisje van de kassa zegt: „Meneer, u moet ook nog betalen.” De man zucht en steunt. „Ik hoef helemaal niet te betalen”, zegt hij kwaad. Hij laat zijn perskaart zien. „Ik moet voor de zekerheid iemand bellen die hier over gaat”, zegt het meisje van de kassa. Ze heeft er rode wangen van gekregen. De man zegt: „Oké, dan loop ik vast door.” Hij noemt de naam van een ochtendkrant waar het momenteel niet zo goed mee gaat. Misschien is hij daarom zo boos. Dat hoop ik maar, want dit is niet echt de plek om je over jezelf op te gaan staan winden.

We staan in het Anne Frank Huis. En Miep Gies is dood. Een paar dagen al. Verderop staat haar portret met een condoleanceregister. Ik durf er niet in te kijken; wat er instaat is privé. Daarom loop ik door naar boven, naar het kantoor aan de Prinsengracht kant.

Hij belde mij op en zei: Miep, kom je even naar mijn kantoor?

Ga zitten, ik moet je iets belangrijks vragen.

We zijn van plan hier onder te duiken. In dit huis. Ben jij van plan ons te helpen?

Ja maar natuurlijk. Ik vond dat vanzelfsprekend.

Dat zei ze, Miep Gies, een beetje voorover gebogen aan een tafel in het kantoor waar alles besloten werd. Het filmpje komt uit 1992. Ze vertelde over 1942 en over de vader van Anne, Otto Frank, en nu, in 2010 is ze overleden.

Ik zal iets heel schandaligs bekennen. Ik kon me niet meer meteen herinneren wie Miep Gies was toen ik het nieuws hoorde.

Op de basisschool leerde ik over Anne Frank en de oorlog. Van mijn ouders moest ik het dagboek van Anne Frank lezen. En we zijn met de hele klas naar Het Achterhuis gegaan, in een bus. We moesten tekeningen maken en vragen beantwoorden. Ook over Miep Gies, dat weet ik zeker, want ergens zat die naam.

Ik schaam me extra als ik op de muur zie staan: om een toekomst op te bouwen moet je het verleden kennen. Bij de uitgang staat nog een foto met een condoleanceregister. Een vrouw wordt gefilmd door een cameraploeg terwijl ze wat schrijft. Daarna willen ze even met haar praten. Zacht zegt ze tegen haar man: „Ik weet niet wat ik moet zeggen.”

Bij zoiets valt ook niet echt veel te zeggen. Alleen: bedankt voor de hoop op helden!

Maartje Wortel

H et sneeuwde zacht toen ik M. naar Schiphol bracht. „Ik hou niet zo van Schiphol”, zei ik. Dat was niet waar maar ik wilde op dat moment dat Schiphol niet bestond. Ze knikte. „Dat begrijp ik”, zei ze. Ze begreep verdomme alles. Ik zei dus maar niets meer verder.

Op de luchthaven was het rustig, door de weersomstandigheden en de crisis waarschijnlijk. De enige plek waar het druk was, was bij de Starbucks.

Ik sleepte haar koffer achter me aan. Er kwam een stem uit de roltrap: mind your step! Ik had graag die stem willen zijn, maar ik ben die stem niet, ik ben mezelf.

We waren veel te vroeg. Je hebt twee soorten mensen op Schiphol 1. Mensen die te vroeg zijn. 2. Mensen die te laat zijn. Ze moest naar Amerika, dus te vroeg was op tijd. In de rij voor de incheckbalie vroeg ze: „Zie ik er verdacht uit?”

„Niet zo hard”, zei ik. Iedereen keek naar ons. „Niet zo hard dat zeggen”, zei ik weer. „Je maakt jezelf verdacht.”

„Omdat ik op een Nigeriaan lijk?”, vroeg ze.

Voor sommige mensen zal ze vast op een Nigeriaan lijken; angst verandert hoe je kijkt en de meeste mensen kijken zonder angst al niet al te goed.

„Je lijkt niet op een Nigeriaan”, zei ik. Toen was ze aan de beurt. De grondstewardess keek van haar naar mij. „Ga jij ook mee?”, vroeg ze. „Nee”, zei ik. Ik keek naar haar zwartgelakte nagels. Het zag er nogal angstaanjagend uit, het was maar goed dat zij niet moest vliegen.

„Uw tas is te zwaar”, zei ze. „En er ontbreekt een formulier bij uw visum. Zo komt u de VS niet binnen. Met geen mogelijkheid”, voegde ze eraan toe.

Even was ik een beetje blij, maar ik voelde me net op tijd egoïstisch.

Het formulier lag thuis, in de stad, in een huis. „We gaan hem halen”, zei ik. We renden naar buiten om een taxi te nemen. De taxichauffeur zei steeds: „Niets is voor niets”. Hij vroeg: „Moet je ook door een securityscanner?” En toen zei hij weer: „Niets is voor niets”. En toen weer: „Niet meewerken aan de securityscan hoor.”

Niets is voor niets maar we waren op tijd, met formulier en al. Op het nippertje. Niemand vroeg verder nog wat ze in Amerika ging doen. Ze kon zo doorlopen.

Ik heb een tip voor alle mensen die met het vliegtuig gaan de komende tijd: gewoon een beetje te laat komen, dan is er geen tijd om u ergens van te verdenken.

Maartje Wortel

Het is niet nieuw dat januari zo’n beetje voor het jaar is wat de maandag is voor de week. Het is een begin. Het is begonnen. Ik hou niet van het begin, ik ben meer van de eindes. Daar schijn ik zelfs een groot talent voor te hebben, voor het einde. Maar goed, zoals we allemaal weten kan er geen einde zijn nog voordat het begint. Het is begonnen, de ochtend, de maandag, de week, januari, het nieuwe jaar.

Ik vraag me altijd af tot wanneer ik: „Gelukkig nieuwjaar” mag zeggen.

Dat ik mij dat altijd afvraag is trouwens een beetje overdreven. Ik heb het me in totaal nu zo’n elf keer van mijn leven afgevraagd. (Ongeveer in het begin van een nieuw jaar welteverstaan.) Elf keer pas omdat ik tot mijn zestiende sowieso niemand een gelukkig nieuw jaar toewenste. Ik ben enorm gegroeid de laatste jaren, zo blijkt wel.

De hele maand januari denk ik eigenlijk niet aan de maand januari maar aan de rest van het jaar. Hoe het zal verlopen, wat er zal gaan gebeuren, aan veranderingen en stilstand. Wie ik tegenkom en wie niet, wanneer het zout op is, of de zomer nóg warmer wordt. Maar vooral denk ik: zal er iemand doodgaan?

Het was overdreven om te zeggen dat ik me altijd afvraag tot wanneer ik „Gelukkig nieuwjaar” mag zeggen, maar er is niets gelogen als ik zeg: ik denk altijd, 365 en soms 364 dagen per jaar: zal er iemand doodgaan? In januari zijn die gedachtes het ergst, alsof dan alles nog mis kan gaan. En dan moet je nog een heel jaar.

Er is iemand dood, gelukkig nieuwjaar.

Gelukkig lopen alle jaren in elkaar over, dus wat dat betreft heb je waarschijnlijk wel even. Plus: je krijgt ieder jaar opnieuw de kans om gelukkig te worden. Uiteindelijk prachtig geregeld toch? We zijn op weg, het einde is nog lang niet in zicht. Dat klinkt even geruststellend als verontrustend. Maar laat je er niet door ontmoedigen; je slaat je er wel doorheen, je hebt alle tijd.

Het mag nog, het schijnt nog te mogen (ik zag bij sommige mensen ook nog een kerstboom), elf januari, dus bij deze: een goed 2010.

Tweeduizendentien.

Mooi getal wel. Wanneer het me uitkomt geloof ik in getallen, dat ze wat zeggen. Als jullie mij dan weer geloven dan gaat dit een mooi jaar worden.

En blijf elkaar vooral geluk wensen. Tot het einde aan toe.