Renske

Columns door Renske

Renske de Greef (1984) schrijft elke dag op pagina twee een column. Van haar hand verschenen Lust (2004), Ja/Nee (2005), Seks in Afrika (2005), Was alles maar konijnen (2007) en En je ziet nog eens wat (2009). Lees meer op haar persoonlijke website, renskedegreef.nl.

Toen iedereen een tijd terug een Hyvesprofiel aanmaakte, deed ik het ook. Iedereen vroeg of ik al hyvde en ook de zin: ‘Ik heb hem gister gekrabbeld’ viel steeds vaker, dus ik moest opschieten, anders miste ik de aansluiting met mijn generatiegenoten. Bovendien klonk hyven gezellig. Als met zijn allen achter de computer discussiëren over potplanten.

Dat was het niet. Ik bleek totaal ongeschikt voor het medium. Ik had geen foto’s om up te loaden, ik begreep de geinige ‘iemand heeft een crush op jou’-functie niet en bovendien wilde ik helemaal niet weer in contact komen met oude klasgenoten. De meeste mensen verlies je uit het oog omdat je daar hard je best voor doet. Al snel liet ik mijn profiel verloederen, maar omdat ik wel uitnodigingen kreeg vroeg ik Hyves of ze mij wilden helpen met een zelfmoord. Ik ben gegaan, in stilte.

lees verder

Ik was nog nooit naar de Dodenherdenking op de Dam geweest. De vriend met wie ik die avond zou gaan eten, ging elk jaar. Dus ik ging mee.

Zigzaggend door de massa zochten we naar een groepje vrienden, onder wie ook mijn vriendje. „Steek je hand eens op”, zei ik aan de telefoon. Ik zag acht zwaaiende armen in de lucht. Blijkbaar beproefden meer mensen die methode. Gelukkig ben ik vrij lang en is mijn vriendje nog oneindig veel langer, dus na even schuifelen hadden we elkaar gevonden. „Best veel beveiliging”, zei iemand. Hij wees naar een balkon van de Bijenkorf. Daar stond een donkerblauw figuurtje met een geweer in zijn handen, wat ik er behoorlijk 24-esk uit vond zien. Toen begon de ceremonie en daalde de stilte over de Dam.

lees verder

Met wijdopen ogen lig ik in het donker op bed. Ik verroer me niet. Ik luister.

Heel lang blijft het stil, hoor ik alleen het tikken van de klok, af en toe een auto buiten. Ik begin me al af te vragen of ik het me verbeeld heb, maar dan begint het weer. Een vaag gezoem in de duisternis. Het komt dichterbij.

Het geluid is dun en klein maar het zoemen wordt langzaamaan feller, nijdiger, tot het precies in mijn oorschelp lijkt te zitten. Dit is het moment waarop ik woest uithaal en mezelf hard op mijn oor sla. Even is het stil, en hoopvol spits ik mijn oren. Dan begint het zoemen weer. Het klinkt triomfantelijk.

lees verder

Er zijn meerdere manieren om Koninginnedag te vieren. Eén is verschanst in bed alle seizoenen van 30 Rock kijken en meewarig denken aan de oranje meute in de stad terwijl je aan je scroppino nipt. De ander is ontbijten met een tray bier, zorgen dat je eruitziet alsof een feestwinkel over je heen heeft gekotst en jezelf overgeven aan de chaos. En dan zijn er nog de koopjesjagers.

Ik hoor zelf bij die laatste groep. Al jarenlang spreek ik ’s ochtends met een vriend af om fanatiek de stad door te struinen. De eerste keer waren we al om half acht frisgedoucht in de binnenstad. Dit was een pijnlijke beginnersfout: de straten waren uitgestorven op een Vietnamese loempiawagen na.

lees verder

Ik houd eigenlijk niet van sport. Dit lijkt een bewering in de lijn van ‘ik houd niet van groenten’, oftewel: een heel belachelijke bewering. Want hoeveel groenten zijn er wel niet? Wat hebben sperziebonen en radijsjes nou met elkaar gemeen? Hoe kan je ze allemaal over één kam scheren? Stel je niet aan en eet gewoon eens wat groenten! In jezusnaam!

Maar goed, zoals ik al zei: dit lijkt zo’n bewering, maar is het uiteraard helemaal niet. Ik hou namelijk écht niet van sport. Van geen enkele. (Behalve als bewonderend naar schaken kijken telt.) Ik heb wel een hoop geprobeerd, omdat er jammer genoeg toch een maatschappelijke consensus lijkt te bestaan over het belang van sport (mensen kijken me medelijdend aan als ik zeg dat ik het liefst plat op de bank lig). En goed, ik ben ook wel gevoelig voor het visioen waarin ik afgetraind en stralend het zweet van mijn voorhoofd wis en een flesje helblauwe sportdrank opendraai dat ik dan echt verdiend heb. Vreemd genoeg draag ik dan een paars spandex-pakje en een zweetband, dus ik vermoed dat ik eerst terug moet reizen naar de jaren 80 om dit visioen te verwezenlijken.

lees verder

De anti-abortuslobby blijft toch de ongekroonde koning van de lugubere acties. Na het plan uit 2008 om ongevraagd honderden foetuspopjes door brievenbussen te duwen, kwam dezelfde organisatie nu met het persbericht: ‘Het Plein in Den Haag bezaaid met dode kinderen’.

Ah. Gezellig. ‘Meer dan 600.000 kinderen zijn uit de moederschoot gerukt’ ging het bericht verder. ‘Hun bloed schreeuwt om wraak.’ In kleine letters stond daaronder: ‘U bent hartelijk welkom om vanaf negen uur de modelletjes met ons uit te leggen over het Plein’, wat wel weer iets gemoedelijks had, alsof het een alternatieve Domino D-Day betrof. Al met al klonk het als een smaakvolle gebeurtenis die ik niet mocht missen.

lees verder

Hoewel veel van mijn vrienden zweren bij de intieme, lieflijke sfeer van kleine filmhuizen en theatertjes, waar de grandeur van weleer nog hangt en zelfs de muizen chiquer trippelen, hou ik stiekem meer van enorme bioscoopcomplexen met minimaal vier verdiepingen. Anoniem, met veel roltrappen en fantasietapijt op de vloer: zo zie ik mijn bioscoop het liefst. Dus ga ik in Amsterdam altijd naar Pathé.

Vooral ’s avonds zijn de Pathé-bioscopen in Amsterdam vrij druk. Groepjes jongens en meisjes in leren jasjes met bontkraag slierten door de gangen met enorme bakken popcorn in hun hand en flesjes bier in hun zakken. Ze zijn assertief en aanwezig en kijken je altijd aan alsof je net expres hun glimmende en opgevoerde scooter om hebt geduwd. En bovendien zijn ze nooit stil in de zaal. Deze jongeren zijn de reden dat veel van mijn vrienden niet naar Pathé durven, uit angst vermoord te worden met Skittles omdat ze die dag een nauwsluitende mintgroene broek aan hebben getrokken. Soms bezwijken zij onder de groepsdruk en gaan toch mee, waar ze zich angstvallig achter elke bordkartonnen romantische komedieadvertentie met Jennifer Aniston proberen te verschuilen, en al hun bezittingen in de hand houden om ze bij het minste of geringste aan te kunnen bieden.

lees verder

Toen ik twee weken terug naar de Mama van het Jaar-awards ging, kreeg ik een goodiebag. In deze goodiebag zat een flesje parfum in een geel kartonnen doosje. Het bleek Zwitsal-parfum te zijn. Ik was hogelijk verbaasd: ik wist niet dat er parfum voor baby’s bestond. Voor zover ik wist was pure babygeur het hoogst haalbare op geurgebied, en stonden mensen in de rij om een kersverse baby vast te houden en even flink diep te inhaleren. Mensen zeggen wel dat een baby op een oud mannetje kan lijken, misschien bestaan er ook baby’s die naar oude mannetjes ruiken? Ik geloofde eigenlijk van niet, en babyparfum leek mij net zo nuttig als babybergschoenen.

lees verder

De meeste mensen hebben wel een favoriet land. Dit zijn mensen die bijvoorbeeld zeggen: „Ik vind de infrastructuur van Noord-Zwitserland bijzonder aangenaam”, of die de rustige inborst en het kundige borduurwerk van de Lapse bevolking prijzen.

Maar bij degenen die een voorkeur voor Afrikaanse landen hebben is het anders. Zij houden van Afrika. Op een intense, hartstochtelijke manier. Zij hunkeren naar de Afrikaanse vlaktes, deinen bij het ritme van de djembé en vereenzelvigen zich met De Afrikaan (blijft toch vreemd, hoe we altijd over Afrika praten alsof het niet een enorm continent is met zo’n 53 landen, maar gewoon één regio met wat banda’s en olifantsgras).

lees verder

O p weg naar een winkel loop ik door een wijk in West, en besef opeens dat ik voor de eerste keer tijdens mijn verblijf in West-Berlijn ben. Het is geen bewuste keuze geweest, maar ik logeer in Oost en eigenlijk winkel, eet en dans ik steeds daar in de buurt.

Ik kies een restaurant en nadat ik heb geprobeerd stiekem mijn lunch aan een plantenbak te voeren (het was een halfgare deegplak met flardjes ui, met de groetjes van de culinaire genieën uit de Elzas) vraag ik aan de jongen die me bedient waar ik naartoe moet als ik op West-safari wil. Hij denkt lang na. „Nou…” zegt hij uiteindelijk. „Als je uit wilt gaan, of naar de bioscoop, of naar een leuk café, dan moet je naar Oost. Maar als je bijvoorbeeld naar een traditionele slager wilt, kan je naar West.” Hoewel het vooruitzicht van een woeste namiddag doorbrengen bij een traditionele West-Berlijnse slager me absoluut aantrekt, ben ik toch een beetje verbaasd. „Maar eigenlijk moet je dus voor ongeveer alle dingen in Oost zijn. Is dat niet een beetje sneu voor West?” „Wij zijn hier anders heel gelukkig hoor”, zegt hij een beetje gepikeerd, en voordat ik kan uitleggen dat ik dat niet zo bedoelde, en dat hij er inderdaad heel gelukkig uitziet en ook behoorlijk gespierd trouwens en dat West prachtige bomen heeft en bovendien de lekkerste deegplakken ooit, loopt hij weg.

lees verder