Ik was dertig en wist niet zo goed wat ik moest met mijn leven. Ik had werk, maar geen werk dat ik eeuwig wilde doen. Ik had een kat, maar wel zo’n kat die elk moment dreigde te sterven. Ik had geen man. Ik had geen kind.
Op een dag kreeg ik een telefoontje. Er kwam een nieuwe krant, en die krant zocht een columnist. De chef stuurde me een voorbeeldkrant. Daarin stond ook een voorbeeldcolumn.
Een paar dagen later sprak ik af met de chef. „Ik vind dat krantje er heel goed uitzien”, zei ik, „maar die proefcolumn die erin staat, is verschrikkelijk slecht.”



