Het is wrang dat de gisternacht overleden eerste president van onafhankelijk Suriname Johan Ferrier het in de laatste twee weken van zijn leven nog moest meemaken. Een groep marrons trok plunderend door het stadje Albina. Ze waren woedend over het overlijden van één van hen tijdens een steekpartij met een Braziliaan. Volgens de berichtgeving een tragisch dieptepunt van de groeiende onvrede tussen bevolkingsgroepen in het binnenland. Ferrier stond bekend om het overbruggen van etnische scheidslijnen.
Wie Suriname een beetje kent, weet dat het conflict meer was dan een mes in het lichaam van een marron. Het was een mes in het hart van de Surinaamse gemeenschap. Want als er een ding is waar Surinamers trots op zijn, is het die smeltkroes aan culturen in dat bijzondere land aan de rand van het regenwoud. Waar ter wereld vind je op hetzelfde terrein een synagoge en een moskee, gebroederlijk naast elkaar? En op steenworpafstand een hindoetempel? ‘In Paramaribo!’ zal elke Surinamer je triomfantelijk vertellen.
Als ik terugdenk aan vakanties in Suriname, denk ik vooral aan de sfeer. De oneindige lichtbewolkte lucht boven het groen, die dan opeens kon betrekken waarna een apocalyptische slagregen naar beneden kletterde. Het duurde nooit lang voor de zon weer scheen. De mensen weer naar buiten kwamen, zoete rijstgeuren uit de keukens walmden en reggaemelodieën in de straten klonken.
Exemplarisch voor de sfeer was een tochtje met de bus. Altijd een verrassing wanneer de bus kwam, een tijdschema was er niet. Maar als je goed luisterde, kon je in de verte precies horen hoe lang-ie erover zou doen tot hij bij de halte was. De busjes hadden namelijk een hevige onderlinge competitie wie de zwaarste basboxen had. En eenmaal in de bus moest je niet verrast zijn als de buschauffeur zei: ‘Dames en heren, ik rijd even langs huis. Een broodje halen. We rijden zo weer verder.’ Niemand protesteerde.
Dan had je nog Jan. Jan was een oude roodverbrande Hollandse schipper die in het centrum van Paramaribo altijd met een Parbo-biertje in de hand op een krukje op straat zat. Hij was ooit aangemeerd en nooit meer weggegaan. Hij sprak met een zwaar Surinaams accent. ‘Alles lekker boys?’ ‘Ja, Jan. Ala sani boeng!’
Laten we hopen dat de incidenten net als de moessonregens weer snel plaatsmaken voor zon, zoete rijstgeuren en reggaeklanken. Dat verdient Suriname, dat verdient Jan en dat zou recht doen aan de nagedachtenis aan Johan Ferrier.