Columns van Renske de Greef

Renske de Greef:

De peilloze diepten der zombiewereld

Een vriendin van mij maakte een zombiemusical, en werd daardoor uitgeroepen tot zombie-expert. Hoewel ik veel van zombies houd (ik figureerde ooit bijna in een zombiefilm, met als enige vereiste ‘dat je het niet vervelend moet vinden als er vleeswaren op je gezicht gelegd gaan worden’) had ik geen idee van de peilloze diepten der zombiewereld.

Zo vertelde ze me laatst dat ze jurylid bij een debat was geweest. Op een zombiefestival. ‘Een debat over wat?’, vroeg ik. ‘Hoe bejaarde zombies uit hun sociale isolement gehaald moeten worden?’ ‘Nee’, zei ze. ‘Over langzame en snelle zombies.’ Er bleek al een tijd een heftige tweestrijd onder zombieliefhebbers te heersen. De ene groep is van mening dat ondoden ook kunnen rennen, en dus als ranke hinden, hun loshangend vlees wapperend in de wind, achter je oma aan kunnen gaan. De andere groep is er heilig van overtuigd dat zombies moeten strompelen. Zombies zijn namelijk net opgestaan uit de dood, en bewegen zich dus nog langzaam en onhandig.

Lees verder

Renske de Greef:

Met een enigszins afwachtend gezicht stond hij op de foto

Facebook lijkt in sommige aspecten op mijn eerste scoutingkamp. Ik was nieuw en liep zo verloren rond dat ik vergaande fantasieën had over een boom, mijn nek en mijn rommelig geknoopte fluitenkoord. Toen twee meisjes zich met mij bemoeiden, was ik zo opgelucht dat ik direct vriendschap met hen sloot. Dit bleek een fout. Deze meisjes waren niet leuk. De een praatte te hard en de ander kauwde alleen maar op haar mouw. Bovendien waren ze totale outcasts. Ik begreep dat – die mouw rook naar voeten – maar doordat ik nu met hen was, telde ik ook niet mee. Vriendschap is in die tijd een soort contract met bloed ge-tekend, dus ik schikte me in mijn lot en staarde weemoedig naar de andere kant van het kampvuur, waar meisjes praatten en liedjes zongen. Soms stak ik als troost even mijn mouw in mijn mond.

Lees verder

Renske de Greef:

Je kiest een setje en dan reborn je hem

Voordat ik naar de poppen- en berenbeurs vertrek, vertelt iemand me over het fenomeen uncanny valley: een onderzoek over hoe mensen robots zien. Wij willen graag dat een robot menselijke trekjes heeft, bijvoorbeeld twee ogen of benen. Maar als de robot te veel op een echt mens gaat lijken vinden we het niet meer prettig. Dan stoot het juist af.

De poppen- en berenbeurs is wat mij betreft uncanny valley 2.0. Meteen bij de eerste stand zie ik een levensgrote, goed gelijkende babypop in een roze pakje met capuchon, waar een briefje bij staat: twee gezichten! Als ik aan de geduldige mevrouw vraag wat dat precies betekent, trekt ze de capuchon af, pakt kordaat het babyhoofdje vast en draait hem 180 graden. Zodra blijkt dat het achterhoofd bestaat uit een nieuw, boos gezichtje denk ik: ik weet niet zeker of ik goed ga slapen vannacht.

Lees verder

Renske de Greef:

Tot mijn teleurstelling brandt er gewoon licht

Ik sta met een groepje mensen op een donker en nat Domplein. Lantaarns verlichten de slagregen. Ik ben doorweekt. Paraplu’s behoren tot een wereld van gedegen voorbereiding. Ik kom vaak in cafés tot de ontdekking dat ik twaalf batterijen en een babymeerkat in mijn tas heb, terwijl ik mijn telefoon, portemonnee en waardigheid thuis heb laten liggen. Gelukkig houdt de regen af en toe miraculeus op, omdat er soms uit medelijden een paraplu van anderen in de groep boven mijn hoofd zweeft.

We beginnen aan een nachtwandeling langs de donkerste plekken van Utrecht ter ere van de Nacht van de Nacht, waarin lichtvervuiling centraal staat. Het thema spreekt me aan en bovendien klinkt een nachtwandeling spannend, alsof de weg wordt geleid door iemand die ondertussen griezelverhalen vertelt bij een flakkerend olielampje. In dit geval dan griezelverhalen over schijnwerpers en verlichte etalages, maar toch.

Lees verder

Renske de Greef:

Tot mijn teleurstelling brandt er gewoon licht

Ik sta met een groepje mensen op een donker en nat Domplein. Lantaarns verlichten de slagregen. Ik ben doorweekt. Paraplu’s behoren tot een wereld van gedegen voorbereiding. Ik kom vaak in cafés tot de ontdekking dat ik twaalf batterijen en een babymeerkat in mijn tas heb, terwijl ik mijn telefoon, portemonnee en waardigheid thuis heb laten liggen. Gelukkig houdt de regen af en toe miraculeus op, omdat er soms uit medelijden een paraplu van anderen in de groep boven mijn hoofd zweeft.

We beginnen aan een nachtwandeling langs de donkerste plekken van Utrecht ter ere van de Nacht van de Nacht, waarin lichtvervuiling centraal staat. Het thema spreekt me aan en bovendien klinkt een nachtwandeling spannend, alsof de weg wordt geleid door iemand die ondertussen griezelverhalen vertelt bij een flakkerend olielampje. In dit geval dan griezelverhalen over schijnwerpers en verlichte etalages, maar toch.

We vertrekken met de groep naar een cafékelder. Tot mijn teleurstelling brandt er gewoon licht, en legt de gids iets uit over een Romeinse muur. Geen kwaad woord over de Romeinen, maar zolang het niet over in de fik gestoken gekruisigden bij wijze van straatverlichting gaat, zie ik geen verband met het thema van de avond. Als de gids daarna twijfelend vraagt: ‘Is dit een beetje wat jullie verwachtten?’ vermoed ik dat er enige onduidelijkheid bestaat over deze wandeling.

De wandeling voert langs historische hoogtepunten, die niets met donkerte te maken hebben. Op een gegeven moment wijst de gids op een aantal kraagstenen: ‘Ze zijn prachtig gebeeldhouwd. Ja, dat kan je nu niet zo goed zien.’ ‘Jammer dat het zo donker is?’ zeg ik verbijsterd. ‘Wat betreft die kraagstenen,’ zegt iemand. ‘Ik ben van de gemeente, en we gaan daar een heel mooi spotje op zetten.’

Als later iemand anders me uitlegt dat zijn paraplu van een bedrijf is dat lichtzuilen maakt, krijg ik al helemaal het gevoel dat het stiekem de Nacht van JEEE NOG MEER NEON! is.

Op het laatst gaan voor één keer symbolisch de lichten van de Dom uit. Ik kijk naar de indrukwekkende zwarte toren, en vraag me af waarom hij niet zo kan blijven. Ik heb het licht gezien. Ik wil het uit.

Renske de Greef:

‘Heb jij naakt rond een vuur gedanst en Beëlzebub aangeroepen?’

H et is voor het ‘noorden’ en ‘midden’ van het land alweer bijna de laatste dag van de herfstvakantie, en dat vroeg om een uitje. Het liefst een uitje met kleffe boterhammen in boterhamzakjes, kartonnen pakjes appelsap en een blikje harde snoepjes waar een soort suikersneeuw op ligt. Jammer genoeg was het uitje niet naar 1993, dus ging ik maar gewoon naar The Amsterdam Dungeon.

The Amsterdam Dungeon is een soort spookhuis op het Rokin. De borden bij de ingang beloven dat je mee zal worden genomen naar het griezelige gedeelte van de Nederlandse geschiedenis: de pest, de VOC en iets wat de Council of Blood heet. Bovendien is het met ‘angstaanjagende acteurs’, wat doet vermoeden dat men op zijn angstaanjagendheid gecast is, wat weer doet vermoeden dat ik het hier erg leuk zal gaan vinden. En de mogelijkheid dat een VOC-officier iets zegt als: „Ik vind scheurbuik echt totaal niet oké” is waarschijnlijk ook best aanwezig.

Lees verder

Renske de Greef:

Ik kan jou een stuk hart serveren dat je fantastisch zal vinden

Vanaf het moment dat ik restaurant Fifteen binnenloop, voel ik me een fraudeur. Samen met de culinaire pers van Nederland wacht ik op een perslunch ter ere van Jamie Olivers nieuwste boek.

Ondertussen heb ik het gevoel dat men de oploskoffie-aanslag op mijn tanden kan zien, de Brinta in mijn adem zal ruiken en dat de lucht van kartonnenpakken-wijn uit mijn poriën opstijgt. Mijn culinair hoogtepunt valt in één woord te omschrijven (dok-teroetkermozzarellapizza), ik denk dat pannacotta Italiaans is voor ovenwant en ik reken magnetronpoffertjes tot een van de betere uitvindingen van de eenentwintigste eeuw. Ik eet geen vlees, en wat ik het allermeeste mis is de kroket. O, kroket. Met je verleidelijke goudbruine glans en je gekruide orgaanvleespuree. Ik mis je zo. Ik mis je zo.

Lees verder

Renske de Greef:

Dat het emotioneel wordt, als we met 15.000 man Dirk toezingen

Ik heb echte voetbalsupporters nooit helemaal begrepen. Dat komt wellicht door mijn opvoeding – toen mijn vriendje en ik bij mijn ouders de wedstrijd tegen Rusland keken zette mijn vader na de wedstrijd de tv uit en zei: „Gelukkig, is dat ook weer voorbij.” Mijn vriendje – wél een liefhebber – kreeg hierop een trillend spiertje bij zijn oog, en zijn behoefte om een reuzenwuppie door mijn vaders keel te duwen hing haast tastbaar in de kamer.

Mijn vriendje is maar gematigd fan, maar ik ken een paar jongens die het liefst met hun club zouden willen trouwen en er kleine clubjes mee zouden willen maken. Ik heb wel eens een wedstrijd meegekeken, maar had het idee dat onze spelbeleving toch enigszins verschilde (ik: „hoe bepalen ze nou met wie ze straks van shirt gaan ruilen?” zij: „JEZUS CHRISTUS PAK HEM DAN”, ik: „o jeetje! Heeft-ie pijn?”)

Lees verder

Renske de Greef:

Laten we kijken wat er gebeurt als ik mijn penis erin stop

In de meeste natuurprogramma’s die ik ken loopt een middelbare man naar een enorme mierenhoop en zegt vervolgens in de camera: ‘Deze kolossale mieren zullen onmiddellijk brandend gif spuiten als ze contact krijgen met je huid. Ik ga er nu vijf op mijn gezicht zetten.’ Of: ‘Deze plantenkelk is gevuld met zuur, dat alles verteert wat erin valt. Laten we kijken wat er gebeurt als ik mijn penis erin stop.’

Natuurlijk is het wel enigszins interessant om daarna de beelden te zien van een middelbare man die met vertrokken gezicht kermt ‘O mijn god, het brandt echt ontzettend’, maar meestal denk je toch: sorry vriend, maar jij bent niet het resultaat van miljoenen jaren evolueren.

Lees verder

Renske de Greef:

We hadden hier te maken met een ’serieuze’ teleurgestelde smiley

Doordat ik veel achter de computer zit, heeft mijn e-mail gebruik epische proporties aangenomen. Ik ben een manische mail-checker geworden, die om de vijf minuten klappertandend kijkt of er al een zacht flonkerende (1) achter ‘inbox’ staat. Jammer genoeg krijg ik uit mezelf niet genoeg mailtjes om me emotioneel geborgen te voelen (ik heb het geprobeerd, maar met ‘Kills dangerous bacteria dead’ en ‘Be naughty and endurable!’ lukte het maar matig), dus stuur ik zelf mailtjes. De onderwerpen variëren van ‘een onverklaarbare angst voor harige vruchten’ en ‘wie weet wat voor dier Willie Wortel is?’ tot een foto van mij in pyjama waar ik de kat op mijn hoofd laat balanceren. Zodoende kan het voorkomen dat ik een dag bezig ben met heen-en-weer mailen over het vraagstuk of je door grafiekjes zou kunnen bepalen welke kassarij het snelste zal gaan. Zo’n dag noemen we: een mooie dag voor de beeldschermwerkers.

Als je zoveel mailtjes verstuurt worden ze slordig. Ze worden onaf, je gaat lelijke afkortingen gebruiken, vergeet hoofdletters, probeert eens iets in morse. Maar er is iets wat ik altijd heb vermeden. Emoticons gemaakt van leestekens. Deze soort: :-). Ik vond ze passen bij de taal van veertienjarige meisjes, die met elkaar Hyven in zinnen als: VAleriO iz EcHt LekkaH!!!111. Nu vind ik Valerio ook redelijk lekkaH, maar ik voelde toch een afstand tussen deze manier van schrijven en de mijne. Mijn omgeving trok zich intussen niets aan van mijn verzet, en begon de smileys te integreren in het dagelijkse leven. Zo kreeg ik van mijn moeder ‘Lieve meis, kom je morgen vroeg eten? Je weet hoe graag papa naar de Eggheads kijkt ;)’ en zelfs op een gegeven moment van mijn toenmalige werkgever ‘Het kantoor is niet opgeruimd. Dit is niet volgens de afspraak :-(’. Deze mail was oprecht boos. Dat betekende dus dat we hier te maken hadden met een serieuze teleurgestelde smiley.

En toen kwam de dag dat ik een zin had geschreven, er nog eens naar keek, en dacht: maar dit kan je verkeerd opvatten. Alsof ik het meen. Er moet iets bij. Om het luchtig te maken, om de grap te benadrukken. Mijn vingers weigerden even, en zochten toen onwillig de puntkomma en het haakjesluiten. Het was de enige manier. Ik vond het nog steeds afschuwelijk staan, maar het werkte wel. Dus ik besloot: omarm het. Dit is taalverrijking. Het ironie-teken dat ook echt als zodanig herkend wordt. Al ontwijk ik ze toch liever ;-).