Veel van mijn vrienden vinden een vliegreis een soort attractie: je zit in een stoel met een riem om, kijkt films en krijgt ondertussen eten en drinken in een formaat dat op hobbits afgestemd lijkt te zijn. Nu word ik ook blij van miniatuurzakjes pretzels, maar toch is er voor mij iets dat een ongecompliceerde vliegtuigbeleving wat verhindert, en dat is het afsterven van een aantal ledematen.
Lange benen zijn handig als je in een situatie komt waar je over plassen radioactief afval moet springen, maar in een gemiddeld vliegtuig zijn ze bepaald niet praktisch. Zodra ik in een vliegtuigstoeltje plaatsneem, zitten mijn knieën klem tegen de stoel voor me. Uiteraard tref ik meestal iemand in het stoeltje voor me die eerst een paar keer hard tegen zijn rugleuning duwt, alsof hij hem in een meubelwinkel aan het testen is op veerkracht, waarna hij de stoel naar achter klapt en de rest van de reis blijft slapen, ook al is het net twaalf uur ’s middags geweest. Natuurlijk doet deze man niets verkeerd. Toch is de sensatie van zijn vijfentachtig onverschillige kilo’s die via een plastic stoelleuning tegen mijn knieën aandrukken genoeg om de rest van de reis enkel nog maniakaal bezig te zijn met: „O ja, lekker, draai je nog eens om, die krakende geluiden achter je zijn heus niet afkomstig van mijn knieschijven hoor, hoe kom je erbij.”
lees verder›