Berichten met de tag Koningshuizen

Geen oog dicht gedaan, vannacht. Dus ik heb Fasseur uit. Ik geloof niet dat er een causaal verband was. Al had ik de verzamelde columns van Afshin Ellian of de door topadvocaat Bram Moszkowicz warm voor de AKO Literatuurprijs aanbevolen nieuwe roman van Leon de Winter van het nachtkastje genomen, dan zou het nog niet gelukt zijn.

Leuk boek, Juliana en Bernhard. Ik keek alleen even achterdochtig naar de ondertitel: Het verhaal van een huwelijk. Ik ken sinds jaar en dag een boek dat ongeveer die titel draagt, en dat is geschreven door Nigel Nicolson, de zoon van Harold Nicolson (1886-1968) die getrouwd was met de schrijfster Vita Sackville-West. Nigel portretteerde in 1973 het huwelijk van zijn ouders, Portrait of a marriage, een boekje dat ik van meet af aan zó prachtig heb gevonden dat een nieuwe auteur, in welke taal dan ook, wat mij betreft de titel pas mag stelen of variëren als hij Nicolson heeft geëvenaard. Fasseur heeft z’n best gedaan, maar het niet gehaald. Hij was natuurlijk ook niet de zoon van Juliana en Bernhard, en dat scheelt.

lees verder

Ik heb altijd diep respect voor mensen die meteen een mening klaar hebben over de Troonrede. Want hoe kun je in godsnaam begrijpen wat er gezegd wordt? Het luisteren naar de Troonrede vergt een bijna onmenselijke concentratie. De rede wordt onnatuurlijk neutraal voorgelezen, is expres ongrappig, en elke zin is zó ver uitonderhandeld dat er alleen maar algemeenheden over blijven. De Troonrede is, kortom, een avant-gardistisch toneelstuk.

Gevolg: je dwaalt af naar je eigen miezerige leven terwijl de majesteit doordreint. Af en toe is er een kort moment van verwarring: ‘Zei ze nou warmtepompen? En zonneboilers? Wat zijn dat eigenlijk?’ Waarna het grote wegdromen weer kan beginnen.

Wat zou het fijn zijn als de koningin normaal zou mogen praten. Als ze erin zou kunnen knallen met een anekdote uit huiselijke kring, iets over de kleinkinderen ofzo.

Ook zou het gebruik van de directe rede wat meer schwung aan het geheel kunnen geven. Meestal geldt: hoe hoger opgeleid, hoe minder directe rede. Ik weet niet hoe het komt, maar een hogeropgeleide gebruikt liever de indirecte rede: „Ik heb mijn advocaat gebeld en die zei dat we er wel een zaak van kunnen maken.” Zet je deze zin in de directe rede, dan krijg je: „Ik heb mijn advocaat gebeld, en die zei: ‘We kunnen er wel een zaak van maken!’” Dat klinkt een stuk platter. Maar ook leuker. Je kunt citaten vervalsen en stemmetjes nadoen, dus je verhaal wordt er beter van. Sommige mensen houden zó van de directe reden dat ze eindeloos kunnen variëren op het thema: „Ik zeg hij zegt ik zeg ik zeg: ‘Hoezo?’”

Het zou zo mooi zijn: „Dus ik zeg nog tegen Jan Peter, ik zeg, ‘Jan Peter’, zeg ik, ‘we moeten ons er wel allemáál een beetje prettig bij voelen’, dus hij zegt, hij zegt: ‘Tuurlijk, is ook zo’, zegt-ie…”

Waarna wij zouden losbarsten in een spontaan: „Hoera! Hoera! Hoera!”

Maoïsten die de macht grijpen. De Verenigde Staten die ermee in gesprek gaan. Nee, nee, de wereld is niet meer wat hij is geweest.

De aardverschuiving afgelopen week in Nepal is in meerdere opzichten revolutionair. Zo was het twee jaar geleden ondenkbaar dat een moorddadige volksbeweging in staat zou zijn tot serieuze politiek. En wie had kunnen geloven dat de zelfbenoemde hoeders van de democratie met maoïsten tot een vergelijk zouden kunnen komen?

Nu klinkt de term maoïst ook wel spannender dan hij is. De Peruaanse terreurbeweging Lichtend Pad noemt zichzelf ook zo, maar het enige wat zij met het maoïsme gemeen heeft, is dat zij langdurig strijd levert. Een bloedige, dat wel, maar zo zijn er wel meer.

Mao Zedong verzon zijn strategie voor een Volksoorlog in de jaren dertig toen hij strijd leverde met het toenmalige Chinese regime en later met Japan. Een eindeloze guerrilla vanuit de Chinese binnenlanden die een veel sterkere vijand naar plaatsen moest lokken waar zij het kwetsbaarst was. Het ultieme doel was natuurlijk de oprichting van de communistische éénpartijstaat.

De Nepalese maoïsten hebben ook een lange guerrilla achter de rug en met meer dan 13.000 doden aan eigen en andere kant, genoeg bloed aan hun handen. Maar daar houdt de vergelijking op. De ‘maoïsten’ van Nepal hebben hun wapens inmiddels ingeleverd, zijn deel van het democratisch proces en daarmee acceptabele gesprekspartners van de Verenigde Staten geworden.

Gezien die ontwikkeling is dat ook niet zo vreemd. Het is voor een democratische land misschien wel vreemder om bevriend te zijn met een constitutionele monarchie zoals de onze. Goed, onze monarch heeft dan een zeer beperkte macht en eigent zich geen rechten toe zoals (ex-)collega Gyanendra. Maar naast al het drama in een verafgelegen land, waar wordt afgerekend met archaïsche tradities, oogt de instandhouding van het eigen koningshuis extra dwaas. In Nepal betaalt een gevallen vorst belasting en wordt zijn beeltenis op alle munten vervangen: door die van een berg.

Wij hebben geen bergen.

Floris-Jan van Luyn

Ik zag de voorzitter van het Nepalese parlement op televisie aankondigen dat Gyanendra binnen veertien dagen zijn paleis moet verlaten, en vroeg me af of het leuk zou zijn om dat een keer mee te maken: een afgezette koning.

Maar je eerste gedachten gaan meteen uit naar Beatrix, en dan heb je al bijna spijt dat het idee bij je is opgekomen. Kassian dat die met haar hele hebben en houwen over twee weken Huis ten Bosch zou moeten verlaten! Dat zouden zelfs Pierre Vinken en Ben Knapen niet over hun hart kunnen verkrijgen.

lees verder

Bestaat de koningin?

Kinderen geloofden vroeger graag dat zij nooit naar de wc hoefde, dat ze ’s avonds met gouden vorken kleine hapjes van gouden borden prikte en dat ze op duizend matrassen sliep. Mohammedaanse kinderen geloofden bovendien dat ze zich van bijvoorbeeld ’s Gravenhage naar Buenos Aires verplaatste op een kostbaar vliegend tapijt van het prachtigste Perzische weefsel.

In het kader van de democratie is door mensen van niet-koninklijke bloede (vaak sociologen) de onttovering teweeggebracht. Die leidde er toe dat de vorstin jaarlijks in een gouden rijtuig naar een vergadering van de beide Kamers der Staten-Generaal werd gereden om een toespraak te houden. Bij wijze van relict uit vroeger dagen had men nog afgesproken dat ze die redevoering wel mocht uitspreken, maar niet zelf geschreven mocht hebben. En om het sprookje overeind te houden zat de minister-president in de zaal naar haar tekst te luisteren alsof het allemaal nieuw voor hem was.

lees verder

Elk jaar is het weer hetzelfde liedje met Kerst. Terwijl je redelijk goed gehumeurd bent, en je je verheugt op een aangenaam samenzijn met familie en geliefden, verschijnt Hare Majesteit aan haar onderdanen op tv. Pardoes slaat de stemming om, en krijg je een partijtje zwartgalligheid te verduren.

Elke kersttoespraak opent met het beeld van onze duistere wereld, waarin alleen de geboorte van het kerstkind een klein lichtpuntje kan zijn. Nee, het koninklijke wereldbeeld is geen vrolijk wereldbeeld.

Vorig jaar nog waarschuwde Beatrix dat de vrijheid van meningsuiting niet betekende dat we mochten beledigen. Ik vond het al wat gedurfd, om zo kort na de moord op Van Gogh al stelling te nemen tegen hem en vóór zijn vijanden. Dit jaar maakte ze dat weer goed, door exact het omgekeerde te betogen: „Gekwetste gevoelens moeten niet omslaan in wanhoop en agressie.” Immers: „Niet iedereen denkt, doet en gelooft hetzelfde.”

Goed, is dat ook weer recht gezet. En laat het een wijze les zijn aan al die dwaze reli-fanatici, zoals de clubs die aanstoot namen aan de Dixons-reclamefolders, waar cartoons in stonden met grapjes over het kerstverhaal. Terecht wees de Reclame Code Commissie de klacht af, waarop één reli-klager in het Reformatorisch Dagblad zei: „Als ik moslim was, zou ik onze klacht zeer kansrijk achten.”

Aan dat soort egoïsme gaat dit land kapot, en daarom is het goed dat Beatrix eerst naar de kerstboodschap van de Paus heeft geluisterd, die mopperde dat de mensen te veel met zichzelf bezig zijn.

Inderdaad, dacht Beatrix, de wereld zit tjokvol egoïstische etterbakken en ze vertaalde dat als: „Individualisering die doorslaat naar puur egoïsme doet afbreuk aan het algemeen belang.”

Daarom moeten we van kinds af aan betere „sociale vaardigheden en medemenselijk gedrag” meekrijgen. De jeugd moet het „goede voorbeeld” krijgen.

Nou, dat lijkt me duidelijk. De tijd is er rijp voor dat Beatrix haar Britse collega volgt. Open een koninklijk kanaal op You Tube en spreek ze wekelijks toe met dit soort peptalks. Zal je zien hoe snel vrede en verdraagzaamheid neerdalen op ons landje.

Christiaan Weijts

Nergens op de wereld vind je per vierkante kilometer zo veel broeikassen, dus logisch dat het in Nederland zomer en winter komkommertijd is.

Het Hoogeveense gifraadsel was nog niet voorbij, of in Amsterdam dreigde een kastanjeboom om te vallen, of Jos van Kemenade wilde de middenschool invoeren, of de Veluwse zwijnen werden toch weer niet doodgeschoten, of Wiegel opende een nieuw vergezicht.

Woensdagavond was het even echt breaking news. Opgewonden kwam Twan Huys met een onthulling de studio van De wereld draait door binnen. Weet u nog De stem van het water (1966) van Bert Haanstra? En vooral de scène waarin je een auto in een Amsterdamse gracht ziet rijden? Die film won overal prijzen. Maar die auto reed helemaal niet de gracht in, die is er door Haanstra in geduwd. En de bestuurder die op het nippertje werd gered was helemaal de bestuurder niet, dat was Haanstra’s geluidsman.

lees verder

Ik tref het, als ik dinsdag het Lange Voorhout oploop: het koetsje met Pieter van Vollenhoven erin komt net voorbij, het filmpjesduo van GeenStijl staat een man met een oranje muts te filmen („een oranje penis”, volgens de interviewer), en als ik ter hoogte van het gebouw van de Hoge Raad ben, passeert de Gouden Koets. Weer tref ik het: ik sta aan de Máxima-zijde. Ze zwaait, giechelig, alsof zíj het is die aapjes aan het kijken is.

En dat is natuurlijk ook zo. Groepen in klederdracht, met voetbalsjaaltjes, dames met oranje boa’s naast oudere heren in pak: je kijkt je ogen uit.

Prinsjesdag is folklore vergelijkbaar met de Alkmaarse kaasmarkt. Zoals iedereen weet dat de kazen daar niet echt meer worden verhandeld, weet iedereen dat de koningin niet echt degene is die het land regeert. Het lot van oude vormen die krampachtig overeind blijven in een veranderde wereld is dat ze karikatuur worden. Tegen wil en dank word je toch wat giechelig van kaasmarkten, klederdrachten, koetsen- en hoedenparades. Als er over vijftig jaar nog altijd Prinsjesdag gehouden wordt, met koningin Amalia in de koets, dan zal het evenement zoiets zijn als een bloemencorso in een deelprovincie van de Verenigde Staten van Europa.

Ik lunch bij Emile op de Maliestraat, waar oranjesupporters op twee televisieschermen de troonrede volgen, als een voetbalwedstrijd. De camera zwenkt langs de damespolitici met hoeden. Prinsjesdag is voor politici wat het Boekenbal is voor schrijvers: een gevecht om onderlinge posities en camera-aandacht, vermomd als een verkleedpartij voor vakbroeders.

‘Leve de Koningin!’ klinkt het nu, en iedereen in de Ridderzaal roept drie keer ‘hoera!’, zonder al te veel passie, alsof ze liever een mooie Latijnse kreet hadden geroepen dan zo’n platte verjaardagsriedel. Beatrix sluit af met een beroep op ‘Gods zegen’, voor het merendeel van de aanwezigen een lege kreet van achterhaalde religiositeit. In Amalia’s tijd zal die verwijzing definitief een puur vormelijk relict zijn. Kerk en koningshuis zullen eindigen in karikatuur, als ze dat al niet zijn.

Christiaan Weijts