Berichten met de tag Minderheden

Zullen die inburgeringscursussen dan eindelijk gaan volstromen? Minister Eberhard van der Laan (Integratie, PvdA) heeft, een jaar na zijn benoeming, zijn Integratienota af. Van een afstandje lijkt die stevig. ‘Nieuwe Nederlanders’ moeten nadrukkelijker voor ons land kiezen en een ‘extra inspanning’ verrichten.

Dat werd tijd: al jarenlang weigeren allochtonen op taalcursus te komen, en door gemeenten aangestelde docenten zitten zonder werk. Een jaar geleden was er nog bonje tussen gemeente, taalcentra en ministerie over wie hier de rekening voor ging betalen.

Goed, dat waren de puinhopen van Paars, gevolgd door die van Hilbrand Nawijn, Rita Verdonk en Ella Vogelaar. Ja, ’t zijn altijd weer aparte typetjes die ze die portefeuille geven. Maar nu is er Eberhard met de IJzeren Hand.

Nog vóór dinsdag middernacht verdween mijn optimisme. Van der Laans slogans slaan namelijk niet neer in beleid. Die taallessen – toch de ‘extra inspanning’ bij uitstek – zijn nog steeds niet verplicht. Bij Pauw & Witteman beweerde de minister dat hij alleen ‘een moreel appèl’ kon doen op de Nieuwe Nederlanders. Ja, hij zou wel willen, maar van Europa ‘mag je mensen niet verplichten.’ Mogen we dus straks bij het Europese Hof gaan protesteren tegen het rekeningrijden?

Maar stel dat Van der Laan gelijk heeft, waarom verzint hij daar dan niets op? Een leuke bonus die de Nieuwe Nederlander misloopt als hij niet op taalcursus komt?

Ook met Van der Laan blijft het integratiebeleid een druilerig gedrocht dat bezwijkt aan exact datgene waar het al dertig jaar aan bezwijkt: vrijblijvendheid. De Integratienota ademt een sfeer van harde aanpak, doortastendheid, maar zet dat nergens om in concrete sancties. Nog steeds hangt het welslagen af van de welwillendheid van wie komt integreren.

‘Een morele verplichting tot extra inspanning’, heet dat in de Integratiebrief. Die zinsnede vat het goed samen. Op het oog lijkt dat stevige taal, maar bij tweede lezing besef je dat ‘morele’ juist elke ‘verplichting’ ontkracht. Dit is geen beleid, dit is zweverige ethiek.

Deed de Belastingdienst ook maar een ‘moreel appèl’ op ons.

Christiaan Weijts

Het vreemde van indianenreservaten is vooral dat ze bestaan. „Het is een goeie plek om gediscrimineerd te worden”, zegt Skip Lyons, zelf een indiaan.

En toch laten nog dagelijks Amerikaanse indianen hun bloedlijn onderzoeken om stamlid te worden. Daarmee verkrijgen ze belastingvoordelen, vis- en jachtrechten. De raad voor Amerikaanse indianen, ooit volledig blank, stelde begin vorige eeuw vast dat de grens voor toetreding lag bij een kwart indianenbloed.

En dat is nog altijd zo. Zo lopen de indianen uit Cass Lake, aan de bovenloop van de Mississippi, met een identiteitskaart op zak waar precies op staat vermeld hoe de (bloed)verhoudingen liggen. Op Skips kaart staat cryptisch: 63/128. Het zegt hem ook niets. Behalve dan dat er over een jaar of dertig helemaal geen reservaten meer zullen zijn „omdat het bloed zo is verdund dat het minimale kwart door niemand meer wordt gehaald. Dan is ons probleem de wereld uit geholpen.”

Maar er is geen indiaan, ongeacht zijn zuiverheid, die dat gelooft. Ook Skip niet. „Wij zijn nu eenmaal een probleem. Want wat je hier ziet, is een gesloopt volk.” A destroyed people. Een volk zonder land, zonder hoop en vooral zonder ziel, zegt Skip.

De voorgeschiedenis is bekend. En de resten ervan zijn eerlijk gezegd ook weinig opwekkend. Zo is naast alcohol, bingo de nieuwe vorm van verslaving – te danken aan het (bijna) exclusieve indianenrecht op een aandeel in de gokindustrie.

Blank Amerika maakt er dankbaar gebruik van. En het levert de gesloten indianengemeenschap broodnodige dollars op. Maar ook een nieuw probleem. „Dat krijg je als je je geloof hebt verloren”, zegt Skip. Zelf is hij daarom maar een christen geworden. „Anders kun je er net zo goed meteen de brui aan geven”, zegt hij schalks.

Zijn goklust is hij er overigens niet door kwijtgeraakt. Dagelijks stuurt hij zijn gedeukte Chevy trouwhartig richting het grootste gokpaleis van Cass Lake. Where the eagles soar, staat er trots boven de ingang. Logisch, vanuit de lucht lijkt alles vredig.

Floris-Jan van Luyn

Hoeveel kosten de allochtonen ons? Het Kamervragenbombardement waarmee de PVV vorige week de zomerrust wilde verstoren, lijkt op het zoveelste buitenissige plaagstootje van de populisten, maar past in feite precies in een visie op de samenleving waarin zij beslist niet alleen staan.

Steeds meer politici beschouwen de samenleving namelijk als een bedrijf, waarop een simpele kosten-batenanalyse gemaakt kan worden. Termen als ‘opbrengst’, ‘groei’ of ‘investering’, oorspronkelijk afkomstig uit de middenstandswereld, zijn ongemerkt in andere terreinen ingeslopen, van menselijke relaties (‘wat hebben wij elkaar nog te bieden?’, ‘investeer ook eens in mij!’) tot aan de politiek (‘wat kost de allochtoon?’).

Voor partijen die bestaan uit omhooggevallen makelaars, directeurtjes en sjacheraars is dat natuurlijk niet vreemd. Hun breinen hebben al vanaf de geboorte de structuur van een boekhoudtabel.

Kwalijker is dat het economische sjabloon op de wereld steeds dominanter is geworden.

Dat is niet altijd zo geweest. In het niet-eens-zo-gek-verre verleden bestonden er ethische waarden (‘rechtvaardigheid’), affectieve (‘genegenheid’), intellectuele (‘kennis’) en zelfs esthetische waarden (‘schoonheid’).

Helemaal verdwenen zijn die niet. Wel zijn ze ondergeschikt geraakt aan het middenstandsmodel en de middenstandersmentaliteit.

Zo ging het bij het JSF-debat alleen over de kosten en de werkgelegenheid, niet over de ethische kant. Zo investeert Nederland relatief het minste van heel Europa in wetenschappelijk onderzoek, waarvan de ‘opbrengsten’ immers niet altijd onmiddellijk meetbaar zijn. Zo draait het publieke debat vaak rond de vraag wat iemand mag verdienen. Als enige land ter wereld hebben wij daar een norm voor die vernoemd is naar (en gebaseerd is op het jaarsalaris van) de premier. Zo worden overheids- en bedrijfsgebouwen steeds lelijker, omdat functionaliteit boven esthetiek heerst.

Zo is Nederland ongemerkt veranderd in één groot bedrijf met bazen en managers die hun rekensommetjes maken aan hun Haagse bureaus en aan hun medewerkers/burgers een mailing sturen: in dit land is het up or out!

Christiaan Weijts

Afgelopen woensdag had ik wat ik wel vaker heb: zes uur op, in ’t donker naar de badkamer stommelen, lange douche, schone kleren, en drie kwartier later klaarwakker en in hoogst gesoigneerde staat achter de werktafel. Als iemand die er zin in heeft.

Het allochtone meisje dat sinds kort het vroegste ochtendjournaal mag doen, leek me een stuk minder uitgeslapen dan ik me voelde. Maar ze opende de voorlezing met een sterk staaltje van eigen nieuwsgaring. De NOS had aan 23 Nederlandse gemeentes gevraagd hoe ze hun overlastproblemen inschatten, en waarachtig: bijna overal dacht men dat ze ‘harder’ werden, vrijwel overal moest het aan Marokkaanse snotneuzen liggen, en overal wilde de burgemeester meer bevoegdheden.

lees verder

Gisteren liep ik mijn huis uit, en toen zag ik een vriendin van mij die vlakbij woont, op straat met een gesluierde vrouw praten. En toen dacht ik: ‘Hé, zij kent een moslim.’

Dat was een verbaasde gedachte. Wat raar is, want in onze buurt wonen heel veel moslims. Dus natuurlijk kan mijn vriendin er met eentje bevriend zijn. Zelf ken ik slechts een paar moslims, en dan nog maar heel en passant. Ik heb geen moslimvrienden.

En dat vind ik eigenlijk raar. We hebben allemaal meningen over moslims, en ik blaas zelf ook van een hoog torentje mee, maar ik heb, bijvoorbeeld, nog nooit bij een moslim gegeten.

lees verder

Hoe zou dat voelen? Op de voorpagina van een landelijk dagblad als incompetente goedzak tevoorschijn komen en er nog zelf voor betalen ook?

Wat mij betreft gaat de Gouden Loeki 2008 per direct naar Doekle Terpstra.

Gênant – ik heb geen andere woorden voor de paginagrote oproep tot saamhorigheid van de beweging ‘Stop de verWildering’. De advertentie toont maar één ding aan: dat Terpstra en consorten geen flauw benul hebben van de polarisatieproblematiek.

Ten eerste: de krant. Welke marketinggoeroe vond het een goed idee om de cover van Trouw te kapen? Goeie goden, ken uw doelgroep. Nu nog een stoppertje in het kunstkatern van De Groene Amsterdammer en het gros van de PVV-stemmers is wel bereikt, of niet?

lees verder

De vraag of je dat manifest van Doekle Terpstra hebt getekend is op zichzelf niet zo belangrijk. Belangrijker is de vraag waaróm je het hebt getekend, of waarom niet. En de essentie zit vervolgens natuurlijk in de vraag vanuit welke levensovertuiging je hebt getekend, of niet.

Dat kan een ontzettend verschil maken.

Neem mij. Ik heb niet getekend. Deel ik daarom het geloof van Geert Wilders die ook niet heeft getekend? Of van Afshin Ellian die in Netwerk een bijna canoniek ‘tegen’ liet horen? Of van Balkenende, Rouvoet, Bos en hun respectieve fractieleiders die ook allemaal niet thuis gaven?

lees verder

Stel, je huis staat in brand en je kunt nog maar één ding redden. Wat neem je mee? Op die vraag riep de surrealistische kunstenaar Jean Cocteau eens uit: „Het vuur!”

Daar moest ik aan denken bij het zien van de nieuwjaarsadvertentie in Trouw van Doekle Terpstra. Terwijl een dag eerder het nieuwe jaar feestelijk was ingeluid met brandende auto’s, vechtpartijen en vernielde politie- en ambulancewagens, preekt Terpstra het oude pappen-en-nat-houden-evangelie. In 2008 gewoon wat aardiger voor elkaar zijn, dan komt alles weer goed.

Haal gewoon het vuur weg. Vanuit surrealistisch-artistiek oogpunt is die opvatting beslist charmant. Realistisch-politiek gezien is zij tamelijk belabberd. Dat begint zelfs Job Cohen in te zien. Ruiterlijk erkent hij in zijn nieuwjaarstoespraak dat de aanpak van probleemjongeren faalt. Zelfs Job Cohen neigt nu – zij het schoorvoetend – naar de „harde én zachte aanpak”.

Hard en zacht. Dus zeg maar: Terpstra-Vogelaar met een scheut Wilders-Verdonk. ME’ers bij de voordeur opstellen, terwijl therapeuten door de achterdeur binnenkomen met kopjes kruidenthee.

Praktisch-pedagogisch gezien is dat tamelijk funest. Het kind krijgt conflicterende signalen binnen van een autoritaire, bestraffende vader en een toegeeflijke, troostende moeder. Exact de opvoeding die Adolf Hitler kreeg.

Het is de vraag hoe lang Cohen de roep om harder optreden nog kan afdoen als „geschreeuw vanaf de bühne”. Als zelfs ambulancepersoneel het werk onmogelijk wordt gemaakt door dronken tuig, dan is het vertrouwen in de veiligheidshandhaving ernstig ondermijnd.

Dit breedgedragen wantrouwen sussen met ‘gewoon wat aardiger voor elkaar zijn’ en „geschreeuw vanaf de bühne” zal op den duur niet alleen surrealistisch blijken, maar ook actief schadelijk. Daarom is het wijs van de VVD om nu te pleiten voor snelrecht tegen relschoppers die hulpverleners hinderen: zet ze tien dagen vast en breng ze dan voor de rechter. Pijnlijk voelbare signalen afgeven. Met surrealisme is nog nooit een brand geblust.

Christiaan Weijts