Berichten met de tag Radio

Als ik in de sportschool op de loopband aan het rennen ben, barst ik soms in huilen of lachen uit. Dat is niet omdat ik een ongevaarlijke gek ben, maar omdat ik tijdens het sporten altijd luister naar gepodcaste radio-interviews van Martin Šimek. Sommige mensen sporten op pompende housemuziek, ik sport op het gepraat van een boomlange, extraverte Tsjech.

Het fijne van Šimek is: hij stelt nooit een vraag als: ‘Is in een film acteren moeilijker dan in het theater?’ of: ‘U schildert in de naturalistische stijl van de Russen, hoe komt dat zo?’ – kortom, de vragen die al duizend keer aan beroemde mensen zijn gesteld. Šimek begint meteen over de interessante dingen: ‘Vertel over uw moeder.’ (Ik zal zijn accent niet fonetisch opschrijven, want dat is onmogelijk.) Of: ‘Praat u ook zoveel tijdens het vrijen?’

lees verder

Jacques Chapel (legendarisch Tourcommentator) is dood, toevallig vlak voordat de Tour begon. Daarom werd er herdacht en Radio 1 deed dat met zijn vroegere chef. Opvallend genoeg kwamen er vooral verhalen over ruzies en dronkenschap; weinig hartverwarmends. Aan het eind van de terugblik stond de chef erop zijn mooiste Tour-anekdote te vertellen. Zou Jacques dan toch nog waardig geëerd worden? Volgde een verhaal waarin Jacques Chapel geen rol speelde, maar waaraan wel een soort punchline zat. De chef vertelde die zo: ‘En toen zei iemand, ik geloof dat ik dat was: „Nee meneer, wij zijn de Wegenwacht!”’

Dit is een zuiver voorbeeld van ‘subtiel opscheppen’. Natuurlijk wist de chef zéker dat hij het was die de grap had gemaakt. Maar hij vindt het gênant om dat direct te zeggen

(„Ik heb een keer een heel goede grap gemaakt, zal ik hem vertellen?”). Daarom verpakt hij hem in gespeelde onzekerheid: „Ik geloof dat ik dat was”.

Subtiel opscheppen kent vele uitingsvormen. „Ik was gewoon de eerste die zoiets deed, dus er was ook weinig concurrentie”, hoor je wel eens. Zogenaamd lijkt dit bescheiden (‘er was weinig concurrentie’), maar wat vooral blijft hangen is dat hier een pionier aan het woord is.

Ook Mart Smeets deed afgelopen maandag aan subtiel opscheppen. Hij zei: „Ik wist destijds nog niets van de Tour, ik weet er nog steeds niets van!” Kom kom, Mart, we weten allemaal dat je er heel veel van af weet. Mindere goden zouden nooit, zonder gevaar voor eigen reputatie, kunnen beweren dat ze niets weten.

In sportevenementen zoals de Tour weet iedereen duidelijk wie het beste is: degene die het eerste over de streep heen fietst (doping daargelaten). In de rest van het leven moeten we soms zelf even aangeven hoe goed we zijn.

Paulien Cornelisse

Paulien Cornelisse behandelt elke week een actueel en opmerkelijk taalfenomeen.

De sportcommentator Jacques Chapel zou eergisteren aan z’n negenentwintigste Tour de France zijn begonnen, volgende maand aan z’n vijfde Olympische Zomerspelen, en over anderhalf jaar misschien aan z’n zesde Winterspelen. Het heeft allemaal niet mogen wezen. Afgelopen vrijdag ging hij dood.

Verdrietig.

Ik heb ’m niet gekend, ik heb ’m ook zelden gehoord. Na Han Hollander heb ik nog maar weinig sportverslaggevers over de radio kunnen verdragen. In de dagen van Han Hollander was ik een jongetje, en dan wilde je wel heel hard meeroepen als Bep Bakhuys de bal had. Maar op een dag was dat over. Een sportverslaggever op de radio is iemand bij wie dat nooit overgaat, al wordt hij 62.

lees verder

Dat waren gisteren natuurlijk spannende ogenblikken, zo rond het klokje van half vier. Ik had Radio 1 aan gedaan zoals je op oudejaarsavond de televisie aan doet: niet om naar de verschrikkelijke vrolijkheid te kijken, maar om op de seconde af op tijd te weten wanneer de champagne kan worden ingeschonken.

Zou de wereld ten onder gaan, of kregen we nog een sprankje hoop?

Pia Dijkstra, die de omroepbeurt had, sprak in de studio met Dick Pels, die in de beslissende minuten zijn licht mocht laten schijnen. Sociologisch licht natuurlijk, want dat heeft hij indertijd opgestoken. Pia was in de voorgaande middaguren waarschijnlijk door haar voorraad economen, koerskenners, beroepsbeleggers en analisten heen geraakt. Dat zij voor de zekerheid ook nog een socioloog achter de hand had gehouden, kwam dus goed uit.

lees verder

Omdat ik net een boek geschreven heb, en omdat ik dat boek aan de man wil brengen (van de royalty’s moet ik immers een omvangrijke kat onderhouden), laat ik mij af en toe interviewen door ‘de media’. Iemand moet de media bezighouden, en nu de lijsttrekkers het niet meer doen, doe ik het maar.

Zo vond ik mezelf op zondagmorgen om half acht in de NCRV-radiostudio te Hilversum. Radio is een mooi medium; je kunt er ook op als je slaapjes in je ogen hebt, je haar een vogelnestje nadoet en je outfit de pyjama benadert. In de studio leerde ik een fenomeen kennen: Krijn. Krijn is de vaste tuinman van de NCRV-radio. Hij geeft zeer vroeg op de zondagochtend advies over planten en bloemen. En ook over mest, maar daar kom ik zo op terug.

lees verder