Berichten met de tag Recreatie en vrijetijdsbesteding

Ik heb een zwak voor de Efteling. Dat komt niet doordat ik een van die dertigers in ontkenning ben, zo’n dertiger die naar zichzelf refereert als ‘meisje’. Het komt door de Efteling zelf.

Afgezien van de hypnotiserende werking die alle pretparken hebben – het gedonder van achtbanen, sfeermuziek die uit bomen komt, het constante gevoel dat je gaat overgeven van angst – heeft de Efteling een extra dimensie: Anton Pieck. Ik vind de tekeningen van Anton Pieck afschuwelijk, vooral die over het leven en werken der kabouters (en nog specifieker die van naakte, volwassen kabouters die zich wassen, die zijn echt aanstootgevend). Maar als je iets consequent doorvoert – in dit geval de Anton Pieck-stijl, dus dat alle huizen een puntdakje hebben en alle restaurantjes ‘In d’n Ouden Opdoffer’ heten –, wordt het betoverend. Dan ontstaat er een aparte wereld, waardoor je loskomt van de werkelijkheid.

lees verder

Vakantie is een redelijk nieuw fenomeen, en de mens is er nog maar matig op aangepast. Niemand vindt het dan ook raar als het vier dagen duurt voordat je lichaam besluit dat de Franse wc te vertrouwen is. Daarentegen denkt iedereen dat communiceren op vakantie vanzelf moet gaan. Natuurlijk niet! De meest voorkomende communicatieproblemen op vakantie en de beste oplossingen.

Waar gaan we heen

Er bestaan mensen die helemaal niet bespreken wat ze gaan doen op vakantie. Dat is niet zo verstandig. Ik ken een stel dat ruzie kreeg omdat pas in Frankrijk bleek dat de een ervan uitging dat het een bergvakantie werd, terwijl de ander alles wilde, ‘behalve een bergvakantie!’ ‘Maar ik heb net bergschoenen gekocht! Daar was je bij!’ Beter is: van tevoren bespreken, ook al loop je dan de kans ruzie te krijgen.

Wie graag zijn zin wil krijgen, kan de vakantieplannen het beste brengen als levenslange passies. ‘Ik wil al sinds ik tien ben héél graag naar de Duitse wadden! Da’s echt een jongensdroom van me!’ Een beetje vleierij kan ook nooit kwaad: ‘Het lijkt me echt heel gaaf om dat met jóú mee te maken.’

Wie er niet uitkomt moet het zo oplossen: de ene dag doen we wat de ene persoon wil, de andere dag wat de ander wil. Verder geen compromissen.

Communiceren in de auto

Een veelgehoorde klacht over vakantie is dat de ruzie al begint in de auto. Dat heeft te maken met het feit dat je ineens uren aaneengesloten in een kleine ruimte zit. ‘Dan ga je de weg maar vragen!’ ‘Ga zelf de weg vragen!’ Deze ruzie wordt opgelost door een TomTom te kopen. Alle andere ruzies door het opzetten van collegereeksen op cd, of van tevoren gepodcaste interviews.

Fluisteren

Wie op de camping zit, moet meteen overschakelen op de fluisterstand. Privacy is er namelijk maar in zeer beperkte mate. ‘Wat? Gaat de buurman nu alweer naar de wc? Zou hij diarree hebben?’ Waarop de buurman vanuit zijn tent antwoordt: ‘Nee, ik heb geen diarree, maar wel een prikkelbare darm. Vandaar.’ Een tent lijkt op een huisje, maar is het niet. Onthoud dat.

Aan het eind van de vakantie weet iedereen wat gefluisterd moet worden. Maar dan nog. Ik hoorde ooit een man tegen zijn vrouw fluisteren: ‘Ik wil niet dat je me een klootzak noemt. Want dat ben ik niet. Een klootzak.’ De rest van de camping las zogenaamd een boekje, en luisterde ondertussen intens geconcentreerd mee.

Wie is er eigenlijk de baas op de camping

Vakantie gaat voor een groot deel natuurlijk over je wil opleggen aan anderen. Vooral de camping is een mini-maatschappij zonder duidelijke bestuursstructuur. Dan gelden de wetten van de jungle.

Alfamannetjes hebben het makkelijk, die lopen gewoon op een groep angstaanjagende pubers af en verklaren: ‘Om tien uur is het stil.’ Dit lijkt een constatering, maar is een keihard bevel. Hoe meer ‘alfa’ het mannetje is, hoe meer kans dat het bevel ook echt opgevolgd wordt.

Iets mindere alfamannetjes kiezen er vaak voor expres hardop commentaar te leveren, zodat hun slachtoffer het hoort. ‘Er zijn hier BEPAALDE MENSEN die denken dat het normaal is om in de douche een compleet waterballet aan te richten.’

De totale losers (ofwel: de aardige mensen) moeten het zo oplossen: ‘Hee, haha, ik geloof dat ze hier eigenlijk echt heel graag willen dat we het afval scheiden… Ja ik weet het ook niet hoor… Wacht ik doe het anders wel even… Nee joh geen probleem… Iemand nog iets nodig van de supermarkt?’

Voor iedereen die geen alfamannetje is, maar toch ook wat agressie kwijt moet, bestaat er op de camping ook altijd nog de bevredigende mogelijkheid van het anoniem schelden. Stel, er wordt te veel lawaai gemaakt. Dan kun je vanuit je tent ineens heel hard roepen: ‘Kan het GODVERDOMME wat zachter!’ Niemand weet precies uit welke tent het komt, maar toch voelt het roepen best heldhaftig.

Plannen maken

Veel mensen zijn gelukkig als ze volledig passief van kerk naar strand gesleept worden. Er is in elk gezelschap maar één plannenmaker nodig. Of geen een. Ook goed, dan gebeurt er niets. Problemen ontstaan er pas als er twee plannenmakers zijn. Die moeten hun plannen geraffineerd presenteren, anders krijgen ze de andere plannenmaker niet om. Een allang voorbereide excursie kan in zo’n geval het best worden gebracht als een spontaan opkomend idee: ‘Hee! Zullen we anders naar het Picassomuseum gaan? Ze zijn open van tien tot één en van drie tot zes en ze doen aan studentenkorting… Geloof ik.’

Als iets, dan niets

Thuis staat de rolverdeling vast. De een zet meestal koffie en de ander maakt het toilet schoon. Op het vakantieadres staat de hele rolverdeling in principe weer ter discussie. Daar kan natuurlijk ruzie van komen (‘Waarom moet ík alle communicatie met het vieze boertje doen? Ben ik soms Hoofd Communicatie?’), maar op een subtiele manier kan het ook in je voordeel werken. Je kunt anderen tot van alles dwingen, als je het maar slim verpakt. Een nuttige constructie is de ‘als iets, dan niets’-constructie. Je zegt bijvoorbeeld: ‘Als jij nou eens een lekker kopje koffie zet…’ Het ‘als’ suggereert dat er een ‘dan’ komt met een tegenprestatie. Maar die hoef je helemaal niet te noemen! Gewoon de zin laten uitdoven en wachten tot je bediend wordt.

Genieten

Op vakantie moet natuurlijk genoten worden, en alsof die druk niet al groot genoeg is, moet daar ook nog voortdurend verslag van uitgebracht worden. Voor mensen die hier moeite mee hebben, een paar standaardzinnen om er op willekeurige momenten in te gooien: ‘Mensen, dit is toch léven!’, ‘Hier in Italië/Portugal/Slovenië weten ze nog echt wat genieten is’, ‘Mij krijgen ze hier niet meer weg, deze jongen zit goed.’ ‘Dit had ik nodig, ik voel alles van me afglijden.’ ‘Bij zo’n sterrenhemel besef je pas echt hoe klein wij mensen zijn, en hoe onbelangrijk alles eigenlijk is.’ ‘Zonnetje, biertje, heeelemaal goed.’

Een vreemde taal spreken

Hou maar op met dat ‘je voudrais un pain s’il vous plaît,’ want bij de Fransen kun je het nooit goed doen. Waar ze wel gevoelig voor zijn, is Engels. Dus: zonder blikken of blozen en vooral zonder verontschuldigingen Engels praten, en dan zullen we nog wel eens zien wie de overhand in het gesprek heeft.

In andere landen is het spreken van de landstaal juist wel leuk, omdat ze het daar schattig/leuk geprobeerd/sociaal van je vinden als je moeite doet. In Amerika zijn de mensen bijvoorbeeld al snel bereid te beweren dat ze helemaal niet kunnen horen dat je buitenlands bent, de schatten.

Het woord waardoor Nederlanders altijd verraden dat ze Nederlands zijn is ‘hè’. ‘We went to Disney World, hè, and the kids really liked it, hè.’ Wie internationaal wil overkomen, vermijdde ‘hè’. Wie juist over wil komen als iemand die daar schijt aan heeft, hè, be my guest.

‘En zullen we zaterdag UIT?’, mailde mijn zus uit Amerika. Ze kwam een week naar Amsterdam en wilde uit. Dansen, dus. Laat op de avond. In een disco.

Nu was dat jaren geleden iets wat ik zelf ook wilde, maar die behoefte is verdwenen. Het kan ermee te maken hebben dat ik nu gelukkig ben in de liefde, en dus niet meer in de illusie hoef te verkeren dat ik de man van mijn leven op een met stukjes glas bezaaide dansvloer aantref, waarbij onze eerste uitwisseling een pinnige dialoog is omdat hij met zijn sigaret een gat in mijn panty heeft gebrand.

lees verder

Gisteren, in Utrecht, heb ik ontdekt waar de bejaarden van Nederland mee bezig zijn. Met een massale emigratie per luxe caravan. In Utrecht is momenteel de Kampeer- en Caravanbeurs bezig, in de woorden van de jolige organisatoren ‘de grootste overdekte camping van Nederland’. Zoals dat hoort bij een beurs hebben we het hier over talloze zuurstofloze hallen waarin mensen voortkruipen langs het nieuwste model van dit en het nieuwste model van dat.

Meestal haat ik beurzen, maar op de Kampeer- en Caravanbeurs overviel mij opeens een enorme levenslust. En dat kwam door die bejaarden. En door de campers en caravans.

lees verder

Zoals de reiziger die nog een laatste blik uit het vliegtuigraampje werpt bij vertrek, zo zie ik hoe Nederland hier aan mijn voeten ligt. En aan die van honderden lotgenoten, op de smalle paadjes, stapvoets schuifelend langs het Binnenhofje, het Mauritshuisje, het Rijksmuseumpje, en over het Erasmusbruggetje. Ondertussen rijden treintjes rond en varen de Spidootjes door het haventje van Rotterdampje.

Madurodam is zowel het eindpunt als de samenvatting van mijn reis. Niet alleen zijn vrijwel alle plaatsen die ik bezocht hier in miniatuur aanwezig, ook de figuranten van mijn reis zijn hier in overvloed te vinden: de toeristen, uitgeladen uit bussen op de parkeerplaats, met rugzakken, fotocamera’s en vooral veel kinderen, maar ook zij zijn hier reuzen.

Dit is Nederland in het klein, of liever gezegd: toeristisch Nederland in het klein. Dit is Nederland zoals Nederland graag wil dat het beleefd en herinnerd wordt door onze gasten. Toeristisch Nederland is een plezierige wereld waar molens eeuwig draaien in aangeharkte polders, waar de bollenvelden in bloei staan en trots de stormvloedkering zwenkt. Ik kan de gezichtsuitdrukkingen van de miniatuurmensjes van amper vijf centimeter niet zien maar weet zeker dat ze glimlachen en fluiten.

Ik zie wat ik zag op mijn zesweekse polder- steden- en museumtocht: vriendelijke huisjes, gedurfde architectuur, romige kazen, porselein, klompen en Hollandse meesters. De auto’s van Madurodam staan niet in de file, perrons zijn niet overvol, probleemwijken bestaan niet en geen van de overwegend blanke poppetjes krijgt klappen of messteken. Niemand rookt een joint of steekt een heroïnespuit in zijn arm. In het voetbalstadion dat onlangs door Johan Cruijff is geopend, juicht iedereen blij mee met het Wilhelmus. Hier is het eeuwig Prinsjesdag op het Binnenhof, de bloemencorso paradeert en alle vogels fluiten.

Het zou misschien ook iets te veel gevraagd zijn om ook de duistere kanten van Nederland te willen zien op een toeristische trip. Wie een gast thuis ontvangt, begint ook niet gelijk over zijn gokschulden, ziekten en andere kopzorgen te zeuren. Maar toch, kleine scheurtjes in de façade zouden welkom zijn. Ook volmaaktheid gaat wel eens vervelen, en het zijn ook de wonden die iemands sympathie wekken.

Ik zie wat ik zag: Japanners, Amerikanen, Engelsen, Nederlanders, Duitsers, die zich gewillig laten gidsen langs onze pronkstukken, en die we onderweg zoveel mogelijk gelegenheden bieden om van hun vakantiegeld verlost te raken. Direct bij binnenkomst nemen meisjes een foto, die je bij vertrek kunt kopen. ‘Get your souvenir here’ staat er op een bord naast een klompenmakerij. Een Japans meisje gooit twee euro in de geldautomaat, waarop een autootje met laadbak in beweging komt en een sleutelhanger met klompjes eraan aflevert.

De twee terrassen zitten bomvol. Bij de self-service staat een te lange rij, dus ik zoek mijn heil bij de frisdrankautomaat, die niet blijkt te werken, maar toch mijn twee euro veertig inslikt. Voor dat geld had ik een prachtig souvenir kunnen kopen, maar goed, het is natuurlijk erg Hollands om daarover te gaan klagen.

Ik zie wat ik zag. Veel bootjes in het water, windmolens, kerktorens, huisjes waar het rood-wit-blauw wappert en fietsen zonder kettingsloten. Madurodam verhoudt zich tot Nederland als Linda de Mol tot de Nederlandse vrouw. Een ideaalbeeld, en dan ook nog eens van slechts één groep burgers. Natuurlijk: er is een overeenkomst met de werkelijkheid, een vrij grote zelfs, maar uitkijkend vanaf het terras komt er toch ineens een malle gedachte in me op. Zou het kunnen dat éérst Madurodam is gebouwd, zoals een architect eerst schaalmodellen maakt, en daarna pas Nederland? En zoals dat gaat met plannen die je uitvoert, is het in de praktijk allemaal net iets minder rooskleurig.

Ik zie wat ik zag en ik zeg wat ik zie. Manoeuvrerend over de volle paadjes raken de mensen lichtelijk geïrriteerd. Wat in miniatuur-Nederland niet bestaat, is hier de enige manier van verplaatsing: in de file staan. Kinderen rennen opgewonden door de menigte heen, zodat hun ouders voortdurend hun namen roepen. Eén meisje van vijf is in driftige tranen uitgebarsten. „Niet zo snel weglopen!”, dreint ze tegen haar moeder, die vinnig antwoordt: „Als je zo vervelend blijft dan kun je dat ijsje wel vergeten.”

Achter drie Duitsers sjok ik kalmpjes terug naar de ingang, koop de laatste ansichtkaarten en souvenirs, en loop naar de tramhalte.

Daar tref ik vijf conducteurs op het perron. Bij deze halte vinden deze zomer extra controles plaats, zo blijkt, om de notoire zwartrijders die toeristen zijn op te wachten.

„Ik heb een strippenkaart,” verklaar ik en wil doorlopen.

„Is die al gestempeld? Nee? Dan gaan wij dat even voor u doen. Waar gaat u heen?”

Heel even vecht ik tegen de aandrang om een paar regels van Jan Jacob Slauerhoff te citeren: ‘In Nederland wil ik niet blijven, / Ik zou dichtgroeien en verstijven. Als de conducteur met een norse blik mijn strippenkaart begint te stempelen, weet ik: ik ben weer terug, in het echte Nederland’.

Er blijven maar nieuwe leuke spellen verschijnen. Het is niet waar dat alle basisplannen van bordspellen allang een keer zijn uitgeprobeerd. Ik kende tenminste niet eerder een spel waarbij pinguïns over losse schotsen rennen naar de plek met de meeste vis (die gek genoeg op de schotsen ligt). De startschots van zo’n loopbeurt mag je telkens houden, inclusief vis. Je mag alleen in een rechte lijn lopen. Zo simpel is Pinguïn – wie aan het einde de meeste vis heeft, mag zich winnaar noemen. Maar dan. Telkens opnieuw moet je in je beurt cruciale beslissingen nemen: stuur je aan op een grote afgesneden schots voor een van je pinguïns, zonder concurrenten voor de vis? Of ga je voor het grote geld in concurrentie met de anderen op het eiland, waarin steeds meer gaten vallen, door al die losse schotsen die opgepakt worden door de anderen? Leuk met zijn tweeën, maar leuker met meer. Het is óók aardig dat je weet dat het spel is ontworpen door een Litouwse natuurkundige ‘tijdens het nadenken over kunstmatige intelligentie’, zoals de spelregels melden. Na een paar potjes Pinguïn kun je daar over doorpraten. (HS)

lees verder