Berichten met de tag Samenlevingsvormen en relaties

Zoals er eens een anti-maffiaconcert is gehouden in het Siciliaanse maffiabolwerk Corleone, zo koos het World Congress of Families deze week voor Amsterdam als locatie. Amsterdam: het Sodom en Gomorra van onze tijd, synoniem voor alles waar de oerconservatieve groeperingen van dit congres van gruwen: homoseksualiteit, abortus, euthanasie.

Minister Rouvoet (CU, Jeugd en Gezin) hield het openingspraatje. Vol spanning volgde ik de live stream. Ging hij onze Nederlandse waarden verdedigen en dus de congresgangers provoceren? Of die juist paaien en zo impliciet de eigen regeringsstandpunten schofferen?

Het werd een derde weg: een volkomen nietszeggend welkomstwoordje. Om het nog saaier te maken verklaarde Rouvoets woordvoerder nadien dat „uit het feit dat de minister een welkomstwoord via een videoboodschap doet, er geen oordeel kan worden afgeleid over de uiteenlopende opvattingen van de deelnemers”. Dat is vreemd. Stel dat de woordvoerder van minister Plasterk dat gezegd zou hebben na de Gay Pride. ‘Hij was daar, maar dat zegt niks.’

Natuurlijk zegt dat wel iets. Aanwezigheid betekent voor een bewindspersoon haast automatisch instemming. En in Plasterks geval klopte dat: de doelstellingen van de botenparade strookten precies met het kabinetsbeleid.

Het Familiecongres staat echter volledig haaks op dat beleid. Nu blijft de indruk hangen dat Rouvoet het als christen wel eens is met de congressprekers, maar dat als minister niet kan zeggen. Rouvoet is de belichaming van de Nederlandse paradox: hoe een overwegend christelijk kabinet een liberaal land kan regeren.

Voor alle zekerheid heeft Rouvoet wel afstand genomen van het standpunt van spreekster Anna Zaborska, die ooit beweerde dat aids Gods wraak was op homo’s. Dat maakt alles ineens veel verwarrender. Rouvoets aanwezigheid betekende toch al „geen oordeel” over de „opvattingen van de deelnemers”? Moeten we nu begrijpen dat hij alleen over de meest extreme opvattingen „geen oordeel” heeft?

Over de andere opvattingen –- abortus, homohuwelijken, euthanasie – heeft hij blijkbaar wel een oordeel, maar stilzwijgend.

Christiaan Weijts

Mijn nieuwe hobby is niet consumeren, en ook niet consuminderen, maar weggooien. (Ik wilde daar een leuk woord met consu- voor verzinnen, maar dat is helaas niet gelukt. Dat moeten trendwatchers maar doen.)

Deze nieuwe hobby heeft niets met de kredietcrisis te maken, maar met het feit dat mijn vriend bij me ingetrokken is. Samenwonende mensen hebben twee keer zoveel spullen als mensen die niet samenwonen. In mijn geval zelfs veertien keer zoveel, want mijn vriend heeft heel veel spullen, waaronder tien typemachines, twee tuinslangen, een professionele grasmaaier en meer oude lp’s dan een gezond mens nodig heeft.

lees verder

Vrijgezelle mannen en vrijgezelle vrouwen zijn twee volstrekt verschillende diersoorten, blijkt maar weer eens uit het programma Alleen nog een man, vanavond op Net5.

In dat programma gebeurt niets nieuws – singles worden op elkaar afgestuurd met een camera erbij in afwachting van geheid genante situaties – en toch zat ik er weer gefascineerd en met ontzetting naar te kijken. Hoe komt het toch dat alleenstaande vrouwen hun leven altijd zo ontzettend op een rij lijken te hebben, en alleenstaande mannen zodra hun vrijgezelle bestaan begint, verzanden in volstrekte radeloosheid?

lees verder

Ik heb een zwak voor de Efteling. Dat komt niet doordat ik een van die dertigers in ontkenning ben, zo’n dertiger die naar zichzelf refereert als ‘meisje’. Het komt door de Efteling zelf.

Afgezien van de hypnotiserende werking die alle pretparken hebben – het gedonder van achtbanen, sfeermuziek die uit bomen komt, het constante gevoel dat je gaat overgeven van angst – heeft de Efteling een extra dimensie: Anton Pieck. Ik vind de tekeningen van Anton Pieck afschuwelijk, vooral die over het leven en werken der kabouters (en nog specifieker die van naakte, volwassen kabouters die zich wassen, die zijn echt aanstootgevend). Maar als je iets consequent doorvoert – in dit geval de Anton Pieck-stijl, dus dat alle huizen een puntdakje hebben en alle restaurantjes ‘In d’n Ouden Opdoffer’ heten –, wordt het betoverend. Dan ontstaat er een aparte wereld, waardoor je loskomt van de werkelijkheid.

lees verder

Zullen we ermee beginnen dat we met z’n allen zeggen dat we Valentijnsdag heel erg stom vinden? En dat het ons opgelegd wordt door het Grootkapitaal (Amerika!), en dat er op een goedkope manier geld verdiend wordt met emoties die ooit oprecht bedoeld waren? En dat het trouwens ook een manier is om alleenstaanden (‘Alleengáánden! Want we staan niet stil!’) een triestheidscomplex aan te praten?

Hebben we dat allemaal gezegd? Goed, dan kunnen we het nu hebben over de liefde. En Sint Valentijn. In de derde eeuw waren er twee Sinten Valentijn, de een was bisschop en de ander priester (allebei dus lekker ter zake kundig op het gebied van de liefde), en beiden werden op 14 februari vermoord. Het kan ook dat het om een en dezelfde persoon gaat. In ieder geval vieren we op 14 februari dus dat een celibataire geestelijke omgelegd werd: romantisch!

De oorspronkelijke bedoeling van Valentijnsdag is dat je degene van wie je stiekem houdt, eindelijk laat weten dat dat zo is, maar dan wel anoniem. Stelletjes die allang bij elkaar zijn, en nu nog eens met een Valentijnskaart komen aankakken, tellen dus eigenlijk niet mee. Moeders die hun zoon een Valentijnskaart sturen (‘Anders krijgt hij helemaal niets’) zijn een beetje eng. Moeders die de vriend van hun zoon een Valentijnskaart sturen (zie hiernaast), zijn heel erg eng. Vriendinnen die naar vriendinnen Valentijnskaarten sturen om de ander zich minder eenzaam te laten voelen (zie hiernaast), zijn bezig met een subtiel machtsspel waarbij de ontvangster van de kaart zich uiteindelijk heel erg eenzaam gaat voelen.

Nee, de enige echte Valentijn is van het Cyrano/Heathcliff/Floris ende Blancefloer-type: al jaren verliefd, nu met kamikaze-moed een brief gestuurd, want alles is erger dan dit eeuwige smachten. Belangrijk hierbij is dat de geliefde wel een persoonlijke bekende is, want dat maakt het enger – er staat nog een vriendschap op het spel ook (daarom is een kaart sturen aan Sacha de Boer nogal gemakkelijk; ze kent je niet dus je hebt niets te verliezen).

Degenen die hun liefde durven te bekennen aan een vriend of vriendin, dat zijn de helden van de liefde. De mannen en vrouwen die niet wachten op een dronken moment waarin iets dubbelzinnigs gemompeld kan worden, maar die echt iets opschrijven, dat in de brievenbus doen, en vervolgens dagenlang nagels bijten omdat ze zich druk maken om hun precieze formulering. Want daar gaat het natuurlijk om: de ander voor je winnen met woorden alleen.

De woorden van de liefde liggen gevoelig. Ik zelf vind het woord ‘lieverd’ echt niet kunnen, reden tot uitmaken bijna. ‘Lieverd’ in een zin is oké (‘Wat ben je toch een lieverd’), maar als aanspreekvorm is het meer dan walgelijk (‘Lieverd, zet jij even de vuilniszakken voor me buiten?’). Maar ja, zoals het gaat met walgelijke woorden: op een gegeven moment wordt het walgelijke woord gebruikt door een dierbare vriendin tegen haar vriend, en dan denk ik ineens: Ach, wat zal ik ook zeuren! Het klinkt eigenlijk wel lief.

Waarmee ik niet wil zeggen dat het allemaal volstrekt relatief is. ‘Poepie’ is natuurlijk sowieso, in elke context, heel erg. ‘Zeg schat, wil jij nog koffie’, is ook heel erg. ‘Hee, lekkere scheet van me’, kan alleen in ironische zin leuk zijn (ik kende iemand die wekenlang aannam dat haar vriend dit inderdaad ironisch bedoelde, tot ze erachter kwam dat hij gewoon serieus was. Au.).

Stelletjes die al wat langer samen zijn kunnen soms in een folie à deux verzeild raken van creatieve benamingen. ‘boemsie-boemsie’, ‘smurfenkindje’, ‘wijvenlijf’ – meestal is de werkelijkheid erger dan je ooit zou kunnen verzinnen.

Met zulk soort waanzinnigheden heeft de Valentijnsschrijver niet te maken, maar dan nog ligt het met de tekst uiterst delicaat. Hij of zij moet ongezien aanvoelen wat de ander wel of niet trekt. Voorgedrukte Valentijnskaarten zijn bijna altijd verschrikkelijk. Een steekproef bij de Bruna leverde de volgende teksten op: ‘Heel veel liefs op deze speciale dag’ (het kan bijna niet liefdelozer). ‘Een roos staat voor liefde, begrip en genegenheid… deze is voor jou’ (Een roos staat voor begrip? Sinds wanneer?). ‘Jij bent de slagroom op de taart van mijn leven’ (Geen commentaar). ‘Waar ik vandaag aan gedacht heb: 1: jou! 2: jou! 3: en nog eens aan jou!’ (Mag het iets minder hysterisch?). ‘Valentijnsdag met jou? Hihi… lijkt me geweldig.’ (De liefde is niet ‘hihi’). Opvallend is ook dat verreweg de meeste kaarten gericht zijn op mensen die al bij elkaar zijn. Logisch, want stelletjes willen geen moeite meer doen om iets voor elkaar te verzinnen en sturen dus een kaart met een koddige giraffe erop.

Voor de echte Valentijnsheld is er natuurlijk maar één mogelijkheid, en dat is: zelf iets schrijven. Wat verschrikkelijk moeilijk is. Ten eerste: hoe te beginnen?

‘Liefste!’ Mooi, maar ook wel dramatisch, alsof de schrijver op de punt staat zich voor de stoomtrein te werpen.

‘Hallo Herman, ik merk bij mezelf dat ik de laatste tijd gevoelens voor je ben gaan ontwikkelen’ – niet echt sexy.

‘Hee, hoi, je raadt nooit wie ik ben, ik vind dit echt supereng!’ is weer een beetje schoolmeisjesachtig. Waar de ander natuurlijk best opgewonden van kan raken, maar is het een gezond begin van een relatie?

Dan toch maar het neutrale: ‘Lieve Herman’. En dan een mooie gevoelige uiteenzetting over wat je voelt (een diepe liefde die meer is dan verliefdheid of lust alleen), hoe het zo gekomen is (vanaf het moment dat Herman dat jonge katje uit het water redde) en waar het heen moet gaan.

Want ja, waar moet het heen? Uiteindelijk moet toch duidelijk worden wie de anonieme kaart heeft gestuurd – als de ontvanger de liefde beantwoordt, wil niemand namelijk anoniem blijven. De grootste Valentijnshelden zetten er dus iets bij als: ‘Ik wacht op 16 februari om 16u op je bij de Magere Brug. Als je er niet bent weet ik genoeg. Je Valentijn.’ En dan ook echt gaan, hè. En wachten. Tot het donker wordt.

Een tijdje geleden sprak ik een jongetje van tien, en die zei nonchalant: ‘Ik sta trouwens op Hyves.’ Dus ik ging kijken, en daar was hij met zijn lieve hoofd, gelardeerd met Harry Potterplaatjes. Hij had alweer zevenentachtig vrienden, of iets in die orde, net als iedereen op Hyves en Habbo en Facebook en MySpace.

Ik dacht aan het jongetje toen ik gisteren op een congres over tieners en internet was. Daar zei een tiener: ‘Al mijn vrienden ken ik in het echt.’ Een vreemde zin, een zin met een welhaast filosofische lading, maar een heel normale zin in de wereld van Hyves en Habbo. Er waren ook tieners die niet al hun vrienden in het echt kenden. ‘Laatst had een Spaanse homo zich als vriend bij mij toegevoegd en ging-ie me allemaal foto’s van zijn lul sturen’, vertelde een tiener. ‘Dat was niet echt chill.’ Een andere jongen vertelde dat hij in een chatroom weleens op zoek was gegaan naar pedofielen. ‘Zei ik dat ik zestien was, en toen kreeg ik een pedo op mijn dak. Dat was wel grappig.’

lees verder