Berichten met de tag Taalgebruik

Dit is deel één van een zevendelige serie. Ik zal mij de komende weken in de Verenigde Staten ophouden, omdat ik heb gehoord dat ze daar een heel andere taal spreken dan hier, namelijk het Amerikaans.

Het Amerikaans is van grote invloed op het Nederlands. Er zijn allerlei woorden die we rechtstreeks van de Amerikanen hebben overgenomen omdat het te veel moeite was om zelf iets anders te verzinnen. Website. E-mail. Stalker. Er zijn taalpuristen die dit schandelijk vinden, maar gewone mensen zoals jij en ik vinden het vooral handig dat iemand anders alvast een woord heeft bedacht voor een nieuw begrip.

Daarnaast zijn er ook taaltrends die wij wel overnemen, maar vertaald. De Amerikanen begonnen met ‘like’; „It was, like, really cool.” Kort daarop kregen we de vertaling in het Nederlands: ‘zeg maar’. „Het was, zeg maar, heel leuk.” ‘Je ding doen’ en de uitdrukking dat iets ‘je ding’ kan zijn, is nog veel letterlijker uit het Amerikaans vertaald.

Dan zijn er nog de woorden en uitroepjes die onvertaald worden overgenomen, ook al zouden we ze prima in het Nederlands kunnen uitdrukken. Denk aan ‘oh my God’, ‘loser’, ‘shit’ en ‘no way’. Redelijk recent is daar ook ‘way’ aan toegevoegd: „Ik ben echt way toe aan vakantie.” Dat laatste wordt nu nog alleen gebruikt door meisjes van drieëntwintig, maar let op, het kan zich elk moment gaan verspreiden.

En dan zijn er nog de uitdrukkingen die alleen door de coolste mensen in de samenleving worden gebruikt. Laatst zei een coole neef van mij over een andere coole neef: „Ja, hij heeft echt swagger.” Ik begreep het een beetje, maar niet helemaal. Ik begreep vooral dat mijn neef veel dichter op de taalimport uit Amerika zit dan ik.

Dus dit is mijn doel: ik ga naar Amerika om te horen wat ze daar allemaal zeggen. Zodat ik er bovenop zit. En ik kan voorspellen wat voor nieuwe toevoegingen het Nederlands binnenkort krijgt. Not.

paulien cornelisse

Bij het radioprogramma Vroege Vogels ging het over de Hondsbossche Zeewering. Er werd gezegd: „Wie denkt dat het daar een saaie boel is, die heeft het mis.”

Deze uitspraak is bijzonder, omdat ze ervoor zorgt dat je precies het omgekeerde denkt van wat de bedoeling was. Stel dat je de Hondsbossche Zeewering zelf heel saai vindt. Dan denk je bij zo’n zin: „Dat maak ik zélf wel uit! Ik vind het daar nu eenmaal saai, punt uit.” Als je de Hondsbossche Zeewering daarentegen niet saai vindt, dan denk je: „Natúúrlijk is het daar niet saai! Waarom wordt dat gerucht zo hardnekkig in stand gehouden!” En als je, zoals ondergetekende, nog nooit over de Hondsbossche Zeewering hebt nagedacht, laat staan over het al dan niet saai-zijn ervan, dan denk je: „Ik heb geen idee waarover het hier gaat, maar een ding is zeker: het is daar saai.”

Dat is altijd zo bij uitspraken van het type ‘wie denkt dat… die heeft het mis’. Het heeft misschien te maken met het feit dat om deze uitspraak het aura van ‘jongerenwerker’ hangt. Jongerenwerkers hebben als taak om stomme dingen toch leuk te laten lijken voor kansarme randgroepjongeren aan de zelfkant van de maatschappij. Een wervende brochuretekst kan bijvoorbeeld luiden: ‘Wie denkt dat korfbal alleen leuk is voor bejaarden, die heeft het mis! Gemengd sporten is júíst heel vet!’ Als je dat als kansarme jongere leest, weet je natuurlijk niet hoe snel je een bushokje moet gaan vernielen.

De vraag is hoe je zoiets dan wel moet zeggen. Ontkennen dat iets saai is of stom, heeft al snel iets verdachts (rummikub? Nee, helemaaaaal niet saai!).

Waarschijnlijk is het het verstandigst om gewoon niet te benoemen of iets saai is of niet. Dus meteen zeggen: „Er wonen ongelooflijk veel soorten vogels bij de Hondsbossche Zeewering.” Dan kunnen de luisteraars zelf bepalen of dat saai is.

paulien cornelisse

Sinds er e-mail bestaat, bestaat er ook verwarring over hoe je zo’n e-mail aan moet heffen.

Toen de e-mail net bestond, leek het voor de meeste mensen een brief, die heel snel bezorgd werd. We hebben het over de vroege jaren negentig. De meeste e-mails begonnen toen met „Beste Jan” of „Geachte heer Smit”. Soms werd er ook nog een datum bij gezet, alsof die niet al automatisch in de e-mail staat. Ik ken iemand die tot diep in de jaren nul (en misschien nu nog steeds), boven elke e-mail „Amsterdam” zette, gevolgd door de datum. Dat gaf het gevoel van een brief uit de negentiende eeuw, maar dan op je computer.

Toen e-mailen gewoner werd, werd de aanhef ook meer casual. De laatste tijd zie ik veel ‘hey’. Of, vernederlandst: ‘Heej’. Het eerste ‘hey’ vind ik staan alsof je in Baywatch speelt anno 1987, het tweede ‘heej’ alsof je een volwassen vrouw bent die een babystemmetje opzet om toch nog schattig gevonden te worden.

Er zijn ook mensen die hun e-mail beginnen met „Hallo Piet”, dat heeft iets grappig-bots. Zelf opteer ik vaak voor „Ha Piet”, wat weliswaar een beetje padvinderij-achtig is, maar daardoor ook wel weer opgewekt en opgeruimd (overigens leuk om daarna een heel depressieve klaagmail te gaan schrijven, maar dat terzijde). Soms begin ik ook met ‘hé’, maar ik zie zelf ook wel in dat dat in feite erg veel lijkt op ‘hey’ of ‘heej’.

Gezien alle diepgaande problematiek rondom de juiste e-mailaanhef (waarom hoor je de hoge heren in Den Haag dáár nou nooit eens over!), is de nieuwste trend eigenlijk heel logisch. Namelijk: het lozen van de aanhef. Gewoon beginnen met de boodschap. De e-mail is hiermee verworden tot een lange sms.

Bijkomend voordeel is dat afsluiten ook niet meer hoeft. Dit zou voor mij een ideale oplossing zijn, zeker sinds ik onlangs mijn e-mail aan een wildvreemde besloot met ‘liefs, Paulien’.

paulien cornelisse

In veel Nederlandse huishoudens schijnt de vrouw regelmatig te zeggen: „Lieverd. Wil jij voor mij de vuilniszakken even buiten zetten?” En dan doet de man dat.

Het gaat me om dat ‘voor mij’. Want worden hier de vuilniszakken eigenlijk wel voor mevrouw buiten gezet? Volgens mij niet. Het vuilniszakken buitenzetten gebeurt net zo goed voor mijnheer zelf, en het ‘voor mij’ had dus achterwege gelaten kunnen worden.

‘Voor mij’ vertelt meestal iets over degene die de baas is. Als op kantoor iemand zegt: „Janneke, zou jij voor mij even de notulen willen kopiëren”, dan is het bijna zeker dat Janneke de ondergeschikte is. Als er een ‘voor mij’-verzoek tussen mensen met gelijke functie gedaan wordt, dan moet er namelijk altijd een verzachtende omstandigheid bijgenoemd worden. Bijvoorbeeld: „Ga je naar de koffiehoek? Zou je dan voor mij ook koffie willen meenemen? Héél erg bedankt.”

Als een vrouw aan haar man vraagt: „Wil jij voor mij de vuilniszakken buiten zetten”, dan zegt ze dus eigenlijk: „Wat betreft de verdeling van de huishoudelijke taken ben ik de baas.”

‘Voor jou’ is een stuk minder beladen met hiërarchie. Wel weer met iets anders, ook heel raars. Onlangs ontdekt, op een voorgeproduceerde stationsboterham in een driehoekverpakking: „Speciaal voor jou belegd met verse ingrediënten!” Deze tekst was in een zogenaamd handgeschreven lettertype geplaatst, alsof een of andere ambachtelijke boterhammengoeroe dat er inderdaad nog even speciaal voor mij opgeschreven had.

Dit moet persoonlijk overkomen, je moet er een warm wollig gevoel van krijgen, maar het is zo duidelijk juist heel onpersoonlijk, dat het omgekeerde gebeurt. Je ziet zo’n tekst, en denkt: „Jaja. Stelletje huichelaars. Dan zullen die ingrediënten ook wel niet vers zijn. Tsss.” Wat volgens mij veel beter zou werken is als je er met een gewone letter op zou drukken: „Boterham. Verse ingrediënten. Vandaag verpakt.” Of iets dergelijks.

Maar ja, er zullen wel weer marketingdeskundigen zijn die hebben uitgezocht dat we óndanks irritatie over dat nep-persoonlijke, toch liever de ‘handgeschreven’ verpakking willen waarin een boterham zit die speciaal voor ons schijnt te zijn.

Nou, voor mij hoeft het allemaal niet.

Paulien Cornelisse

Wat mij opvalt. Is dat jonge meisjes. Van zeg maar zestien. Soms. Ineens. Middenin een zin. Een punt zetten.

En. Dan. Zeg maar. Best wel. Kordaat overkomen. Ineens.

Raar.

Laatst was ik in een restaurant in Wassenaar, waar mensen van zestien op eigen gelegenheid sushi aan het eten waren – op zich al bijzonder om te observeren.

Maar qua taal was het helemaal interessant, want het was één groot festijn van punten midden in de zin. „Nee. Mijn oma is wel chill. Maar. Ze is gewoon wel oud. Zeg maar. Echt iets van. Tachtig. Ofzo.”

„Jezus. Heb je nog nooit sushi gegeten ofzo. Echt. Niet normaal. Hoe jij die stokjes vasthoudt.”

Ik denk dat het een reactie is op de trend die óók onder zeventienjarige meisjes heerst, en dat is de vraagtekenhype. In de vraagtekenhype wordt elke zin met een vraagteken afgesloten? Ook als het geen vraag is? „Hoi, ik ben Anne? Ik wil later psychologie studeren?”

Of zou deze hype alweer een beetje voorbij zijn? Zeg maar, best wel jaren negentig? Eigenlijk?

Ooit hielden meisjes van zeventien juist heel erg van vraagtekens! Omdat alles onwijs gaaf was of juist zwaar klote! Bijvoorbeeld in de jaren tachtig! Met fluorescerend-roze beenwarmers! Gaaf! Of dat je ouders helemaal niet begrepen wat er gaaf was aan punk! Klote!

Het decennium dáárvoor stond wat betreft de meisjes dan weer in het teken van de vele puntjes… Lekker je dagboek mee volmijmeren… En ook in je spraak laten terugkomen… Omdat iedereen z’n eigen werkelijkheid had…

Natuurlijk, er waren in de jaren zeventig ook al veel uitroeptekenmeisjes! Maar het gaat hier om gemiddelden… En ik heb er trouwens ook geen onderzoek naar gedaan… het is meer een gevoel… Van binnen…

Eerst puntjes, toen uitroeptekens, daarna vraagtekens – nu hebben de meisjes eindelijk een punt gezet. In dat licht bezien is het nog niet zo’n slechte ontwikkeling.

paulien cornelisse

Als het drie dagen vriest in Nederland, dan is er altijd iemand die de Elfstedentocht ter sprake brengt. Daar kun je bijna de klok op gelijk zetten. Het is een soort natuurkundige wet.

Ten tweede gaan mensen meteen helemaal los op Oudhollandse uitdrukkingen. Ze halen hun schaatsen ‘uit het vet’, ook al hadden ze er nooit vet op gesmeerd. En ze staan ‘op de ijzers’. En verder krijgen ze een verre blik in hun ogen en zeggen dingen als: „Het kraakte… Maar mooi man! Mooi!”

Ook zijn er veel mensen die gaan beweren dat het ‘waterkoud’ is. Officieel betekent dat geloof ik dat het koud is, maar dat er toch een hoge luchtvochtigheid is. Als het vriest, lijkt ‘ijskoud’ mij een meer kloppende benaming. Toch hoor je veel ‘waterkoud’. Het is een fijn woord. Misschien omdat je het zo lekker overdreven kunt zeggen: waaaaaterkoud. Alsof je er een beetje van geniet dat je vingers eraf vriezen.

Verder heeft kou in de Nederlandse taal toch vooral met negativiteit te maken. Waarschijnlijk komt dat doordat het hier eerder te koud dan te warm is. Grappig is bijvoorbeeld dat ‘de hel’ in Nederlandse schilderijen vroeger niet werd afgebeeld als een vuurzee, maar als een ijslandschap. De schilders van toen konden zich niet voorstellen dat hitte ook echt onaangenaam zou zijn, terwijl ze de kou maar al te goed kenden.

Dat zie je dus ook terug in de taal. Een koud of een kil persoon is niet iemand die je graag wilt leren kennen. Terwijl ‘een warm mens’ in principe aardig bedoeld is. (Terzijde, ‘een warm mens’ is in praktijk meestal een onuitstaanbaar persoon die je de hele tijd overlaadt met ‘hoe is het nou echt met je’ en ‘ik vind het heel mooi dat ik je hier tegenkom’.)

Het Amerikaanse woord cool is weliswaar opgenomen in de Nederlandse taal, maar ik denk niet dat we het zelf ooit hadden kunnen verzinnen. Daarvoor is het hier te koud.

paulien cornelisse

Er is iets aan de hand met het woord ‘zomaar’. Vroeger werd het alleen gebruikt om toeval of willekeur uit te drukken. „Waarom hebben jullie die afvalbak vernield?” „Kweenie. Zomaar.”

Nu heeft ‘zomaar’ weinig meer met zomaar te maken. Let er maar eens op. Hoe vaak hoor je tegenwoordig niet een gesprekje als dit: „Ga je nog naar de sportschool?” „Dat zou zomaar kunnen.” Daar zit geen toeval meer bij: deze persoon gaat zeker naar de sportschool, maar hij wil het op een relaxte, nonchalante manier uitdrukken.

Ook zonder dat er een vraag aan vooraf gaat, is ‘zomaar’ prima te gebruiken, indien gewenst uitgebreid met ‘ineens’: „Ik denk dat ik zomaar ineens een biertje ga nemen.” De gesprekspartner kan dan antwoorden: „Ja, doe eens gek.”

Het moderne ‘zomaar’ wordt vooral gebezigd door mensen die onproblematisch van aard zijn, of zo willen overkomen. Het omgekeerde van de zomaar-mens is de onmiddellijk-mens: „Ik wil dat die vuilniszakken onmiddellijk van de overloop verdwijnen!” De zomaar-mens zou dezelfde uitspraak zo formuleren: „Weet je wat zomaar heel erg leuk zou zijn? Als die vuilniszakken buiten gezet zouden worden.”

Interviewers bedienen zich ook graag en veel van ‘zomaar’. In dat geval heeft het te maken met het verschijnsel ‘voorgesprek’. Tijdens een voorgesprek wordt het hele interview alvast voorgekookt, waardoor het interview zelf alleen nog maar een toneelstukje is, waarin het voorgesprek wordt nagespeeld. Een tijdje geleden hoorde ik op de radio de interviewer tegen de geïnterviewde zeggen: „En nu denk ik zomaar dat er nog wel wat meer aan de hand is, met die polders.” „Nou inderdaad,” kan de geïnterviewde dan beginnen. En de luisteraar weet: deze vraag kwam niet uit de lucht vallen, hier was sprake van voorkennis. Dat de interviewer laat merken dat hij al weet wat het antwoord is, is slim; hij erkent dat het interview tot op zekere hoogte gescript is, maar die erkenning zelf lijkt spontaan en natuurlijk. En dan kom je zomaar ineens best professioneel over.

Het zal wel niet officieel onderzocht zijn, maar waarschijnlijk is Oud en Nieuw de feestdag waar mensen de meeste moeite mee hebben. Kerst is ook zwaar, maar Oud en Nieuw? Door de woorden ‘oud’ en ‘nieuw’ moet je vanzelf aan het verleden en de toekomst denken, waardoor je niet meer ‘in het moment’ kunt zijn.

In de meeste andere landen focussen ze vooral op het nieuwe jaar (‘nouvel an’, ‘new year’s eve’). Ik hoorde iemand in een winkel tegen een toerist zeggen: „Yes, these are oilballs and these are appleflaps, we eat those with Old and New!” De toerist begreep hier natuurlijk niets van, en verliet in overspannen toestand het pand.

Met Oud en Nieuw zijn wij extra kwetsbaar, omdat we bijvoorbeeld zitten te denken: „Vorig jaar was ik nog jong en onschuldig.” Of: „Zou ik volgend jaar nou eindelijk mét een date naar ditzelfde klotefeest kunnen?” Twaalf uur ’s nachts is het moeilijkst. Je hebt met z’n allen afgeteld, je roept ‘Gelukkig Nieuwjaar!’, je gaat elkaar kussen. Maar wat zeg je tijdens dat kussen?

Er zijn mensen, en dat zijn vrijwel altijd vrouwen, die er echt een betekenisvol moment van willen maken. Dat is gevaarlijk. Die zeggen dan tegen de single vriendin: „Volgend jaar heb je een nieuwe vriend! Dat voel ik gewoon!” Of tegen de recente weduwnaar: „Ria is er ‘ergens’ nog bij, denk je ook niet?”

Het is beter om het om twaalf uur ’s nachts heel oppervlakkig te houden. Gewoon een kus en nogmaals ‘gelukkig nieuwjaar’ zeggen. En that’s it.

Ook control freaks moeten een beetje uitkijken met Oud en Nieuw. Van die mensen die tijdens het aftellen nog gaan zeggen: „Maar loopt die klok wel echt gelijk? Wacht ik zet de tv aan.” En tijdens het moment zelf al roepen: „De champagne moet open! Wie kan de champagne openmaken? Ik heb hier de glazen!” Control freaks moeten zichzelf even een tandje lager zetten.

En dan wordt het vanzelf 2010.

Paulien Cornelisse

Bij de klimaattop in Kopenhagen blijkt maar weer: er wordt wat afgepraat over het klimaat. Los van of het klimaat weer terugveranderd kan/zal worden, staat in ieder geval vast dat de taal zich onherroepelijk heeft aangepast.

Vroeger heette het klimaat nog ‘het milieu’. En dat was een belangrijk onderwerp. Als spreekbeurten in de jaren tachtig niet over de zeehondjes of Ethiopië gingen, dan gingen ze over a) zure regen of b) het gat in de ozonlaag. De kinderen van vandaag moeten hem geloof ik allemaal doen over klimaatverandering, en meer specifiek: over een ijsbeer op een smeltende ijsschots.

Daarnaast zijn woorden als klimaatneutraal, CO2-uitstoot, biobrandstof, hybride en groene stroom normale woorden geworden. Ook zoiets: spaarlamp. Vroeger een heel obscuur woord voor de allergrootste geitenwollo’s, nu toch echt al weer een tijdje ook voor gewone mensen.

Voordat het klimaat iets was dat aan verandering onderhevig was, was ‘het weer’ het lievelingsgespreksonderwerp van de Nederlander. Door de klimaatverandering is dit onderwerp helaas verpest. Het is onmogelijk om nog een beetje vrijblijvend over ‘warm voor de tijd van het jaar’ te praten. Of over ‘te veel regen, mijn borders verzuipen erin’. Als je zoiets zegt, is er meteen iemand die zegt: „Jaaa… klimaatverandering hè.” Met een bezorgde blik naar de lucht. Dat gebeurt bij extreem koud weer, of bij extreem warm weer, en trouwens ook bij weer dat warm noch koud is, maar meer ‘opmerkelijk gematigd’.

De film An Inconvenient Truth, van Al Gore, was blijkbaar zo belangrijk dat de term meestal niet vertaald wordt. Vraagt iemand zich hardop af of we dit jaar een Elfstedentocht zouden krijgen, dan kun je twijfelachtig kijken en zeggen: „Nou ja, een inconvenient truth, hè.” Het fijne aan deze term is dat je niet echt inhoudelijk iets zegt, maar meer aangeeft dat je wel eens aan het klimaat denkt. En dat is in deze tijd natuurlijk altijd een pluspunt.

Er vindt ook creatieve taalvernieuwing plaats. Gehoord in een roddelgesprek over een vrouw: „En altijd maar dat gezeur over die spaarlampen… Ik vind haar echt een inconvenient trut.”

paulien cornelisse

Zou het aan de feestdagen liggen? Dat ik ineens allemaal knusse woorden hoor? Het meest knusse woord is natuurlijk ‘knus’ zelf. Ik heb al iemand met glinsterende ogen horen verklaren: „Ik ga gewoon de héle kerst lekker knus naast die kerstboom zitten!”

Andere knusse woorden zijn (en hier kunnen natuurlijk individuele verschillen bestaan): jottem, joepie, knurft, ratjetoe, snufferd, bups (‘met de hele bups’), en knots (in de betekenis van ‘gek’). Het woord ‘knots’ is groot gemaakt door de jeugdserie De familie Knots (familie Knots, familie Knots, familie Knòòòts, ke-nots, ke-nots), 1980-1984.

Vorige week werd het woord ‘knots’ nieuw leven ingeblazen, en wel door een man van de politiebond. Hij had het over de wel erg gulle declaratiecultuur die onder politiechefs was ontstaan, en zei uit de grond van zijn hart: „Het is werkelijk van de knotse.”

De ‘van de’-constructie kenden we voorheen voornamelijk van ‘van de gekke’, soms ook gespeld als ‘van de gekken’. Als je verontwaardigd bent omdat de supermarkt helemaal geen oliebollenmix meer heeft terwijl het nota bene december is, dan kun je roepen: „Maar dat is toch van de gekke?”

Als variatie hierop heb ik ook wel eens gehoord: „Het is van de ratten besnuffeld.” Maar echt wijdverspreid is dat nooit geworden.

De uitdrukking ‘van de gekke’ vindt haar oorsprong in de cutting-edge-comedy-serie Pipo de Clown (1958!–1980!), omdat Klukkluk de indiaan (nou ja, indiaan… blanke man met vlechten) dat om de haverklap zei. Inmiddels vindt niemand het meer Klukkluktaal, maar serieuze taal die je nu eenmaal nodig hebt als je verontwaardigd bent. „Vorig jaar stuurde ik driehonderd kerstkaarten. Driehonderd. En weet je hoeveel ik er terug kreeg? Vijf! Het is van de gekke.”

Om de ‘van de’-constructie te gebruiken met het woord ‘knots’ was helemaal nieuw. Hulde dus aan de man van de politiebond, die in deze duistere decemberdagen op uiterst knusse wijze zowel een hommage bracht aan Klukkluk als aan de gehele familie Knots. „Van de knotse.” Laten we proberen ’m erin te houden.

paulien cornelisse