De misrekenende rechter

 Aandelenlease-gedupeerden staan april vorig jaar te wachten op het openen van deuren van de informatiedag van Platform Aandelen Lease en Leaseproces. Foto Rob Huibers

Aandelenlease-gedupeerden staan april vorig jaar te wachten op het openen van deuren van de informatiedag van Platform Aandelen Lease en Leaseproces. Foto Rob Huibers

De doorsnee mens loopt weg voor cijfers, wiskunde en statistiek. Ons land telt zelfs honderdduizenden cijferblinden. Dat zijn normaal intelligente mensen die, door een hersendefect, cijfers en telwoorden niet kunnen interpreteren. Ze verwarren 91 met 19 en kunnen geen wisselgeld natellen. Een beleggingsaanbieding beoordelen is voor hen even onmogelijk als machtsverheffen voor een baby.

In een land van blinden en bijzienden zijn de eenogen koning. Dat waren, tussen 1991 en 2002 de pakweg tien instellingen die samen een miljoen aandelenleaseproducten verkochten. Deze combinaties van beleggen en lenen leken aanvankelijk fantastisch.

Wie maandelijks 155 gulden stortte, kon, volgens de folder, na vijftien jaar bijvoorbeeld 172.000 gulden incasseren. „Vier keer zoveel als bij sparen!” Na 2001 sloegen deze gouden bergen, mede door een beursdip, vaak om in schulden. De schade beliep soms wel 100.000 euro per belegger.

Een uitzending van Radar over aandelenlease (3 oktober 2007)

Slepende rechtszaken

Sindsdien slepen er rechtszaken over aandelenlease. Op 5 juni aanstaande bereikt dit drama een climax: voor het eerst zal de Hoge Raad beoordelen of leaseaanbieders hebben misleid of de zorgplicht hebben geschonden. Krijgen gedupeerden eindelijk gelijk? Je houdt je hart vast als je de wetenschappelijke bundel De rekenende rechter leest. Universitair docent M.J. Borgers schrijft hierin onheilspellend:

„Rechters worden in toenemende mate geconfronteerd met cijfermatige kwesties waar ze in het gunstigste geval iets van afweten, maar vaak ook niets.”

Hoe zwaar je met rendementsvoorspellingen de mist in kan gaan, toont de Amerikaanse wiskundehoogleraar John Allen Paulos in zijn boek De gecijferde mens. Een vader koopt beursaandeel Z voor 1.000 euro. Zijn nazaten mogen Z na een eeuw verkopen. Uit het verleden weet vader dat Z jaarlijks evenveel kans heeft op 60 procent koerswinst als op 40 procent koersdaling. Wat is de meest waarschijnlijke waarde over honderd jaar?

Rekensom

Aanbieders van lease- en andere beleggingsproducten pakken deze rekensom steevast zo aan. Eerst becijfert men de verwachte koersstijging in één jaar. Voor Z is dat het gemiddelde van +60 procent en -40 procent. Dus 10 procent. Deze 10 procent projecteert men op de komende eeuw. En als je jaarlijks 10 procent winst boekt, groeit 1.000 euro na een eeuw tot het astronomische bedrag van 13.780.612 euro.

Deze berekening is fout. In het meest waarschijnlijke geval zal aandeel Z namelijk vijftig van de honderd jaren 60 procent stijgen en vijftig van de honderd jaren 40 procent dalen. Dat brengt de meest waarschijnlijke eindwaarde, in dit geval, op €1.000 × (1,6 ^ 50) × ( 0,6 ^ 50 ). En dat is helaas… maar 130 euro. Juist verzekeraars, vaak de verkopers van aandelenleaseplannen, begrijpen dit als geen ander. Hun verzekeringswiskundigen schatten immers voortdurend de uitkeringen die men in de toekomst moet gaan doen? Dus rechter en consument, laat je niet misleiden.

Kennis van de volgende drie maatstaven is handig.

1. Rekenkundig gemiddelde

Het (rekenkundig) gemiddelde van een reeks cijfers is de som van die cijfers gedeeld door het aantal getallen. Deze maatstaf is geschikt voor het berekenen van gemiddelde jaarlijkse rendementen uit het verleden, maar zegt helemaal niets over de toekomst.

2. Modus

De modus is een getal of bedrag dat het vaakste voorkomt. De term modaal inkomen is daarom de inkomenshoogte die het meeste voorkomt. Dit jaar is dat, inclusief vakantietoeslag, ongeveer 32.000 euro. Het modale inkomen kan veelzeggender zijn dan het gemiddelde salaris. Want stel 100 mensen verdienen elk 300 euro en 3 mensen elk 3 miljoen euro. Dan verdient men gemiddeld 87.669 euro, terwijl het modale inkomen op 300 euro ligt.

3. Verwachte waarde

De verwachte waarde van iets wordt vaak bepaald door de som te nemen van elke mogelijke uitkomst vermenigvuldigd met de kans op die uitkomst. Stel een verzekeraar weet uit ervaring dat jaarlijks een op de 10.000 verzekerden 400.000 euro schade claimt, een op de 1.000 claimt 50.000 euro, en een op de vijftig claimt 2.000 euro. De verwachte schade-uitkering bedraagt dan: (400.000: 10.000) + (50.000: 1.000) + (2.000: 50) = 130 euro.

67 reactiesrss-icon

Robert Endert

In de zaterdagbijlage van 30 Mei is een brief geplaatst van de heer Klein Haneveld betreffende het vraagstuk rondom de verwachte waarde van beursaandeel Z (zie het artikel van Erica Verdegaal hierboven). Inmiddels is het iedereen wel duidelijk dat er een verschil is tussen de verwachte waarde (13.780.612 euro) en de meest waarschijnlijke waarde (130 euro) na 100 jaar.

De hamvraag is nu welke van deze 2 waarden relevant is voor de individuele belegger. Volgens mij is dit de meest waarschijnlijke waarde, aangezien het experiment slechts 1 maal uitgevoerd wordt.

De verwachte waarde (som van de producten van alle mogelijke uitkomsten en hun individuele kansen) is hier niet relevant, omdat deze een uitspraak doet over de te verwachten gemiddelde uitkomst bij het doen van een zeer groot aantal identieke experimenten. Dit is in het aangehaalde voorbeeld niet het geval; de belegger heeft te maken met slechts 1 experiment, in dit geval het product van een reeks van 100 uitkomsten van groeifactoren 0.6 en 1.6.

De verwachte waarde zou relevant zijn wanneer de belegger kijkt naar de te verwachten gemiddelde uitkomst van een zeer groot aantal aandelen (ieder met elk jaar een fifty-fifty kans op groeifactor 0.6 of 1.6) waarvan de jaarlijkse resultaten onderling onafhankelijk zijn.

Zie ter verduidelijking het door mij in reaktie #25 aangehaalde voorbeeld van het 2 maal werpen met een dobbelsteen waarin gekeken wordt naar het product van de geworpen ogen. Stel dat Jaap een weddenschap met zijn vriend Arie afsluit over het correct voorspellen van dit product. Dan is het voor Jaap niet relevant om de verwachte waarde te kennen (12.25), maar de meest waarschijnlijke uitkomst (in dit voorbeeld zowel 6 als 12). Alleen wanneer hij op 6 of 12 wedt maximaliseert hij zijn kans om de weddenschap te winnen.

Kortom, voor de individuele belegger in aandeel Z, die het product van de reeks van 100 uitkomsten moet voorspellen, is de meest waarschijnlijke waarde (130 euro) relevant.

Robert Endert op Antwoord

Rogier Swierstra

Ten overvloede, dit voorbeeld is verwant aan de “Sint-Petersburg paradox” http://nl.wikipedia.org/wiki/S.....urgparadox

Een extremere belegging van 10 euro die elk jaar “quitte of dubbel” speelt — rendementen van +100% of -100% — heeft ook verwachtingswaarde 10. Maar na 10 jaar heeft maar 1 op de 1024 = 2^10 beleggers zijn inleg ver-1024-voudigd, de rest is alles kwijt. Dat is geen belegging meer, maar een loterij.

Rogier Swierstra op Antwoord

Erica Verdegaal

Beste Robert Endert, daarom vind ik het jammer dat juist die brief in het Weekblad staat afgedrukt. De kern van mijn stuk is immers dat “de meest waarschijnlijke waarde” het beleggingsresultaat van de individuele belegger sterk bepaalt, terwijl in aanbiedingsfolders doorgaans de (veel gunstigere) verwachtingswaarde werd en wordt gepresenteerd.

Erica Verdegaal op Antwoord

Hans

Beste Erica, je aanvullend, wil ik stellen dat naast de meest waarschijnlijke waarde een zeker zo belangrijk kerngetal de kans is dat je eindkapitaal tenminste deze waarde zal aannemen. In het onderhavige geval is deze kans slechts 46%, oftwel met een kans van 54% is je eindkapitaal 130 euro of minder. Het feit dat het misleidende getal van de verwachtingswaarde van je eindkapitaal zo extreem groot is, is gelegen in het feit dat de kans dat je eindkapitaal een heel grote waarde zal overschrijden niet nul is en maar heel langzaam naar nul gaat als die begeerde eindwaarde toeneemt.

Hans op Antwoord

Rogier Swierstra

Na nog wat nadenken heb ik nog een opmerking. De tegen-intuitieve resultaten zijn een eigenschap van de log-normale verdeling
http://nl.wikipedia.org/wiki/Lognormale_verdeling
waar je na 100 jaar erg op gaat lijken. In dit voorbeeeld is de variantie (sigma-kwadraat=25) erg groot relatief de verwachtingswaarde (mu=-2) [elk na 100 metingen], dus krijg je de erg grote uitschieters naar boven die het gemiddelde hoog maken terwijl “de massa” verlies heeft.

Ik geloof dat sociaal-economen ook de verklaring voor welvaartsverschillen in dit soort verdelingen zoeken—als deze belegging de enige is, krijg je een paar stinkend rijke winnaars. Als je belegging altijd 4%-6% rendement geeft heb je een veel gelijkere samenleving (waar in dit geval de “gemiddelde” welvaart wel een 100 keer lager is!)

Rogier Swierstra op Antwoord

Erica Verdegaal

@Rogier Swierstra, Ik vind het fantastisch dat er zoveel slimme lezers zijn met statistische en wiskundige kennis. En dat die allemaal de moeite doen om hun kennis hier met anderen te delen. Bedankt!

Erica Verdegaal op Antwoord

Roel Schreurs

Na enige aarzeling stuur ik toch deze reactie. Er is al veel op gereageerd, maar niemand slaat wat mij betreft de spijker op de kop. Pieter P. #32 haalt het meetkundig gemiddelde aan, maar legt niet verder uit. Toch zit hier de crux.

De verontwaardiging die in de kolom tentoongespreid wordt, is de stelling dat een jaarlijks constant rendement van 10% na 100 jaar een vermogen oplevert, maar dat, wanneer dit fluctueert rond een gemiddelde van 10%, je maar een schijntje overhoudt. Eerst was ik ook geschokt, maar vroeg me toch af wat hier aan de hand is.

De fout in de redenering is de volgende. Er wordt stilzwijgend aangenomen dat +60% (x 1,6) en -40% (x 0,6) gemiddeld +10% (x 1,1) zijn. Hierbij is het rekenkundig gemiddelde gebruikt en dat is niet terecht. Er is iets anders nodig: het meetkundig gemiddelde.
Het meetkundig gemiddelde of geometrisch gemiddelde van n getallen wordt verkregen door de getallen met elkaar te vermenigvuldigen en vervolgens van het product de n-de-machtswortel te nemen. Het meetkundig gemiddelde zoekt een evenwicht in de verhoudingen tussen getallen, zoals het rekenkundige gemiddelde een evenwicht zoekt in de verschillen (bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Meetkundig_gemiddelde).
En het gaat in dit geval juist om de verhoudingen. Bij vijftig jaar lang een jaarlijkse afname van 40% en een uiteindelijk rendement van 10% per jaar, hoort 50 jaar lang een toename met een factor (1,1)^2 / 0,6 = 2,01 2/3 of te wel meer dan 100% rendement (en dus niet de gestelde 60%).
Omgekeerd is het meetkundig gemiddeld van 0,6 en 1,6 is de wortel van 0,96 is ongeveer 0,98, dus een jaarlijks verlies van 2%, precies in overeenstemming met het feit dat er naar honderd jaar niet zoveel meer over is.

Dit is ook te illustreren door om en om te verdubbelen en te halveren. Je hebt dan in elk even jaar steeds weer het oorspronkelijke bedrag. Het (onbruikbare) rekenkundig gemiddelde van 0,5 en 2 is 1,25, maar het meetkundig gemiddelde is 1, wat in overeenstemming is met het feit dat je hetzelfde bedrag overhoudt.

De bankiers die met een rendement van gemiddeld 10% schermen zullen dit hard moeten maken met, inderdaad, een gemiddeld meetkundig rendement van 10%. Dit is ook de gebruikelijke methode. n is het aantal jaren. Het gemiddelde rendement is de n-de machtswortel uit de totale toename factor over alle jaren. En daarbij mag het werkelijke rendement van jaar tot jaar zoveel gefluctueerd hebben als je maar wilt. Maar -90% (x 0,1) moet wel worden gecompenseerd door maar liefst +1110% (x 12,1), want van die twee is het meetkundig gemiddelde 1,1.

Roel Schreurs op Antwoord

Hans D

Dus, teruggebracht tot een overzichtelijker termijn van 10 jaar:
Als een miljoen of meer mensen er in stappen,
en ze volgen allemaal een eigen onafhankelijke strategie,
blijft de modus van de mensen achter met 850 (de helft meer, de helft minder),
is het benodigd resultaat vanwege inflatie en belastingen zo’n 1350 à 1500,
wordt het voorgespiegeld als 2593,7424601 (alsof het 60,000000000% en 40,000000000% zou zijn…)
en Barry van #28 moet zijn rekenmachine nog even laten ronken om het verwachte resultaat uit te rekenen (maar de 1200 die ik voorzie is ook op die termijn niet genoeg om “uit de kosten” te komen).

Hans D op Antwoord

popi

Kortom de conclusie van Erica Verdegaal, namelijk ”misleiding” met behulp van statistiek staat kaarsrecht overeind. Ook met behulp een de zg. Monte Carlo simulatie valt overigens, voor wat betreft aandelenleaseproducten, aan te tonen dat het vrijwel kansloze producten zijn. De kansen op verlies nemen bovendien toe naarmate een beurshausse verder gevorderd is. Hier geldt immers de eenvoudige logica: hoe verder de hausse gevorderd is, hoe dichter de baisse nabij is.

popi op Antwoord

popi

Zo te oordelen lezen rechters noch het NRC Handelsblad noch NRC Next, noch deze weblog. Vandaag werd de misleidingsclaim terzake van aandelenleaseproducten door de Hoge Raad van tafel geveegd. Dus toch misrekenende rechters of tenminste rechters die zich achter hun lijdelijkheid verschuilen. Een nieuwe zwarte bladzijde voor de Nederlandse rechtspraak. Een kwestie waarover het laatste woord nog niet gezegd zal zijn.

popi op Antwoord

Stijn Bronzwaer

@ popi. Alles over de uitspraak van de Hoge Raad is hier te lezen: http://www.nrcnext.nl/geld-en-.....s-te-hulp/

Stijn Bronzwaer op Antwoord

Rudiculosu

Na het uitvoeren van enkele tientallen miljoenen simulaties van het probleem, kan ik niet anders concluderen dat de verzekeraar in dit geval gelijk heeft. Je mag verwachten astronomisch veel winst te maken.

Rudiculosu op Antwoord

Wim van Gruisen

En nog maar eens een keer over de berekening in de kolom.
John Allen Paulos, zoals geciteerd door Erica Verdegaal, heeft een nogal naïeve voorstelling van zaken van aandelen, als hij aanneemt dat ze hetzij 60%, hetzij 160% van hun oorspronkelijke waarde kunnen hebben. In de (economische) natuur komen dergelijke waarden niet voor.

Ik heb een tamelijk eenvoudig spreadsheet gemaakt, waarbij ik een belegging heb verondersteld waarbij de koersverandering ergens tussen de 60% en de 160% zit, in een continue verdeling (ik heb de functie =RAND()+0,6 gebruikt). Een beginbedrag van 1000 heb ik vervolgens honderd keer met deze functie vermenigvuldigd, om het totaal vermogen na honderd jaar te zien (ik heb honderd regels gemaakt met deze functie, zodat elk jaar een andere koers te zien gaf). Vervolgens heb ik dit spreadsheet honderd keer de eindwaarde laten berekenen – daarna kreeg ik er genoeg van.

Natuurlijk was elke eindwaarde verschillend, en er kwam geen modale waarde naar voren. Maar door eenvoudig categorieën af te vinken kon ik wel bekijken welke categorie modaal is. Ik heb de categorieën logaritmisch ingedeeld, als machten van 10. Hieronder de resultaten:

10 mlj: 8 (waarvan een of twee keer boven de 100 miljoen).

Nu is honderd keer natuurlijk te weinig om wetenschappelijk significante conclusies te trekken. Maar in dit beperkte experiment is maar twee keer een bedrag verschenen dat lager was dan de inleg. De modus-categorie was die van honderdduizend tot een miljoen; een stuk minder dan de dertien miljard die de bank ons voorrekent, maar ook weer een stuk meer dan de modale waarde van Paulos’ rekensom.

De aannames die ik gemaakt heb (absolute limieten bij 60% en 160%, een continue verdeling daartussen) zijn natuurlijk ook economisch niet echt realistisch. Ze zijn volgens mij echter een stukje minder wereldvreemd dan de binaire hetzij-60%-hetzij-160% aanname van Paulos. En deze aannames leiden tot een heel andere, en minder schokkende, uitkomst.

Aantekening: De binaire uitkomst van het aandeel komt tot uitdrukking in Verdegaal’s rekensom, niet in de opgave. In de opgave staat: “Uit het verleden weet vader dat Z jaarlijks evenveel kans heeft op 60 procent koerswinst als op 40 procent koersdaling.” De aanname dat het of het een, of het ander moet zijn, zonder tussenliggende, lagere of hogere waarden, staat niet in de opgave. Als het aandeel honderd jaar lang niet in waarde verandert, dan heeft het tenslotte ook even vaak 60% koerswinst als 40% verlies gehaald; nul keer voor beide zaken.

Aantekening 2: Voor de mensen die het spreadsheet zelf willen construeren, hier zijn de waardes die ik heb ingevuld:

B1: 1000 (het beginbedrag)
A2: =RAND()+0,6 (dit geeft een rentepercentage tussen 60% en 160%)
B2: =B1*A2 (dit geeft het kapitaal na een jaar)

Vervolgens cellen A2 en B2 omlaag gekopieerd tot regel 101; dit om een periode van honderd jaar te simuleren.

Vervolgens honderd keer op f9 drukken om de RAND-functie opnieuw te laten berekenen, en turven. Succes.

Wim van Gruisen op Antwoord

popi

In een van mijn eerdere reactie gaf ik al aan dat het voorbeeld van John Allen Paulos uitsluitend aardig is om de tegen-de-intuitie-ingaande verschillen tussen rekenkundige verwachtingswaarde en de ”te verwachten opbrengst” aan te tonen. De grote vragen die mij meer bezighouden in dit verband zijn de volgende:
1)-Neemt bij een (eenmalige) belegging met een vaste looptijd van, zeg 5 jaar – mede gegeven de volatiliteit- het risico op verlies toe, wanneer de startdatum valt op een moment dat een beurshausse al enkele jaren gaande is. Geldt hier inderdaad de simpele logica: hoe verder een beurshausse is voortgeschreven, des te dichter de baisse nabij is ?
2) Klopt mijn aanname -gezien het voorbeeld van Paulos en het adagium ”volatility erodes returns”- dat een (fictief) aandelenleaseproduct met een looptijd van 5 jaar waarbij een geleend bedrag van, zeg, 30.000 euro in één keer wordt belegd (verwachte koersstijging 10%), de klant 200 euro rente per maand betaald (8,4% effectief p.a.)gedurende 60 maanden en deze leveraged belegging wordt gepresenteerd als een superieur alternatief voor sparen tegen, zeg 3% per jaar in werkelijkheid vrijwel kansloos is ? Zo ja, zo nee Hoe groot is de kans dat dit aandelenleaseproduct echt een beter resultaat oplevert, mede gezien het antwoord op vraag 1.

popi op Antwoord

Hans D

Wim van Gruisen (#63) heeft berekend wat het effect is bij een (modaal) rendement van 10% (het rekenkundig gemiddelde). Dat komt natuurlijk hoger uit dan een rendement van -2% (het meetkundig gemiddelde van +60% en -40%). Wim zit er op dezelfde manier naast als de denkwijze van de “misrekenende rechters” die Erica Verdegaal probeert te corrigeren.
Wim kan het beste het hoofdstuk logaritmen nog even naslaan, wat mij betreft (en een aantal anderen hier, als ik hen goed interpreteer). Zijn uitkomst klopt wel (wat betreft de berekening), maar de berekening zelf deugt niet – hoe vaak hij zijn formule ook door de computer laat narekenen.

Hans D op Antwoord

nico weezenbeek

@popi #64,
De vraag bij stelling 1 is niet te beantwoorden wanneer de gemiddelde baisseduur niet bekend is.
Het antwoord op vraag 2 met de gebruikte parameters zonder meer JA (d.w.z. kansloos), zelfs bij gebruik van een misleidend rekenkundig gemiddelde als door banken i.h.a. gebruikt (zie column E. Verdergaal). Ik ga er daarbij even vanuit -dit noemt u niet- dat de 200 euro (in het alternatief) maandelijks wordt gestort op een spaarrekening á 3%.

nico weezenbeek op Antwoord

Olivier

@ Robert (#51)
Ik zou zeggen om te gaan beleggen dat er veel meer nodig is om te weten of je deze belegging afsluit.

Eigenlijk zou je een grafiek moeten hebben waarin wordt weergegeven voor alle mogelijke uitkomsten wat de kans is dat je die krijgt.

En aan de hand daarvan moet je kijken of je het risico wil lopen.

Maar al met al lijkt het me nooit verstandig om van een bank geld te lenen om te beleggen. Denk je de situatie in: Een financiële instelling met kapitaal biedt aan om jou geld te lenen om het vervolgens zelf te gaan beleggen en voor jou winsten te maken. Als dit werkelijk zo voordelig was als wordt voorgespiegeld waarom zou een financiële instelling je dit product dan willen verkopen? Ze hebben zelf het kapitaal, dus als het werkelijk zo gunstig is als ze het doen lijken waarom investeren ze het zelf dan niet?

Zoals Murphy zegt:” Als dingen te mooi lijken om waar te zijn, dan zijn ze dat meestal ook!”

Het enige punt dat ze je geld lenen terwijl ze weten dat de kans groot is dat je dit verspeeld. Deze financiële instelling moet ergens tussendoor nog zoveel geld aan jou verdienen dat ze er zelf geen verlies mee draaien.

Olivier op Antwoord

« Older Comments

Laat een reactie achter

Reacties die voor andere bezoekers informatief of vermakelijk zijn, maken het nextblog interessanter en levendiger. Schroom dus niet om jouw goed onderbouwde mening te delen of aanvullende informatie te geven. Als je reageert, vragen we je naam en e-mailadres op te geven. Je eerste reactie wordt vooraf gemodereerd op basis van de spelregels. Als die is goedgekeurd, kun je voortaan direct reageren. Je reactie kan in de krant gebruikt worden.

Ook een avatar bij je reactie? Upload je foto op gravatar.com

Trackbacks naar deze post