Erica Verdegaal

Berichten door Erica Verdegaal

Erica Verdegaal (1960) blogt over geldzaken. Ze studeerde economie en twee jaar filosofie in Amsterdam. Na diverse banen in het bedrijfsleven koos ze in 1995 voor de journalistiek. Ze schrijft over persoonlijke geldzaken voor onder meer nrc.next en NRC Handelsblad, werkt mee aan radio- en televisieprogramma’s en publiceerde opgeteld tien boeken. Haar website is ericaverdegaal.nl.

Jij verdient opslag

Verdien je wel genoeg? De meeste mensen vinden dat het beter kan. En dat is logisch. Bazen en opdrachtgevers worden mede ingehuurd om de prijzen laag te houden. Het zit er daardoor niet in dat je baas of opdrachtgever je ooit apart neemt, glimlachend aankijkt en zegt: “Ik ben zo ontzettend tevreden over je werk. Je krijgt er 25 procent bij.”
Wie opslag waard is, moet er zelf om vragen. De kans is behoorlijk dat je baas je liever opslag geeft dan dat hij op zoek moet naar een vervanger. Nieuw person
eel vinden en inwerken is duur. Afhankelijk van je functie is je baas zomaar een half jaarsalaris verder. Dan is 10 procent opslag een schijntje.
Maar vragen is eng. En overtuigen is moeilijk. Hoe krijg je dan toch de financiële waardering die je verdient? In het boek Smart Couples Finish Rich biedt de Amerikaan David Bach een stappenplan om het voor elkaar te krijgen. “Increase your income by 10 percent in nine weeks” luidt de titel van het hoofdstuk waarin hij zijn raadgevingen prijsgeeft. Het ademt de typisch Amerikaanse “Yes we can”-sfeer, die veel Europeanen nepperig aandoet. Toch zijn de tips praktisch, want ze bieden oplossingen voor alle hindernissen die jou beletten om je dik verdiende opslag te krijgen. Wie niet waagt die niet wint. In het kort komen de tips hierop neer:

Week 1: Hou op met klagen en roddelen. Zoek liever uit hoeveel uren je in de praktijk voor je baas of opdrachtgever nuttig bezig bent (ook avondlijke telefoontjes en internetbezoek). Zet daar je salaris tegenover en bereken wat je in werkelijkheid per gewerkt uur verdient.
Week 2: Neem een blad papier. Schrijft daarop onder elkaar: je naam, je huidige salaris, de omvang van de opslag die je wilt (bijvoorbeeld 10 procent), je salaris inclusief die opslag, de datum van vandaag en ten slotte de datum over precies twee maanden. Op die laatste datum zul je klaar zijn om opslag te vragen. Hang het beschreven blad papier thuis op een plek waar je dagelijks tegenaan kijkt.
Week 3: Ruim alle rommel in je werkruimte of op je bureau op. Doe dit na kantoortijd (zo nodig in het weekend), want het is jouw troep. Stapels papieren op je bureau bezorgen je het imago dat je tijd en geld verliest. Daarop word je (onbewust) door je baas en collega’s beoordeeld. Met een schoon en leeg bureau, maak je een efficiënte indruk: je bent je opslag waard. Neem ook de rommel in je woning onderhanden. Dan ga je ook zelf geloven dat je efficiënt en nuttig bent.
Week 4: Vraag je baas of opdrachtgever vijf minuten voor overleg. Neem pen en papier mee. Leg uit dat je bezig bent de kwaliteit van je werk te verbeteren. Vraag wat hij/zij vindt dat je nu al doet dat waarde toevoegt (schrijf dat op) en wat je daaraan zou kunnen toevoegen. Noteer de antwoorden en vertel dat je over enkele dagen een actieplan wilt voorleggen. Typ de gegevens suggesties thuis uit. Beschrijf daaronder je actieplan. Reken maar dat je baas of opdrachtgever onder de indruk is. Zo’n medewerker of dienstverlener wil iedereen.
Week 5: Bepaal welk deel van je werk de meeste waarde aan het bedrijf toevoegt, bijvoorbeeld klanten bellen. Concentreer je daarop.
Week 6: Onderzoek wat je bij andere bedrijven of opdrachtgevers zou kunnen verdienen. Bel rond, kijk op internet, informeer bij vrienden of vraag het collega’s.
Week 7: Oefen het opslag vragen op je vriend(in) of partner, of hardop voor de spiegel. Leg minimaal zes keer hardop uit waarom je de opslag verdient.
Week 8: Vraag je baas de opslag of stel een hoger honorarium aan je opdrachtgever voor. Vraag liever 10 procent extra dan 5000 euro per jaar erbij. Dat laatste klinkt te dramatisch.
Week 9: Beloon jezelf voor je moed of het resultaat (zelfs als je niets extra’s gekregen hebt).

Pensioen kan soms gratis zijn

Hoe jonger we zijn des te minder pensioen ons boeit. Dat lijkt logisch. Pensioen krijg je pas vanaf je 65e. (Of nog later als minister Donner zijn zin krijgt). Toch? Kijk, wie zo redeneert kan veel pensioen mislopen. Er bestaat namelijk niet alleen pensioen voor je oude dag. Veel pensioenfondsen bieden ook uitkeringen voor nabestaanden (soms zelfs voor arbeidsongeschikten). Zo’n pensioenfonds moet dan wel weten dat er nabestaanden kunnen zijn. Dat gaat helemaal vanzelf als je bent getrouwd of als je
relatie bij de burgerlijke stand is geregistreerd. Woon je echter -zoals half Nederland- samen, en hou je dat voor je pensioenfonds geheim, dan krijgt je huisgenoot helemaal niets als jij van de Himalaya valt of voorgoed in de dode hoek van een dronken joyrider verdwijnt. Zelfs niet als je al twintig jaar samenwoont en een keurig notarieel contract hebt opgesteld.
Nu ben jij niet van plan om dood te gaan, maar soms gebeuren die dingen. Dan is het, voor je partner prettig als je pensioenfonds weet dat jouw partner bestaat, simpelweg doordat jij nu even een aanmeldingsformuliertje invult en verstuurt. Je partner mag overigens ook vaak de broer, zus, neef of nicht zijn met wie je samenwoont, maar niet je ouder, (pleeg)kind, grootouder, kleinkind, schoonouder, schoonzoon of schoondochter.
De aanmelding van (officiële) huisgenoten scheelt je vaak geen oudedagspensioen en kost je nauwelijks tijd. Desondanks wordt dit nuttige klusje door ruim een derde van de jongeren met een partner verzuimd, bleek in 2007 uit onderzoek van pensioenfonds PGGM. Zijn jullie ook zo’n onbezonnen stel? Verander dit vandaag. De partneraanmeldingsformulieren van veel pensioenfondsen kun je eenvoudig opvragen of downloaden via het internet. Die van pensioenfonds ABP vind je bijvoorbeeld vanaf hier
Er gelden voor aanmelding vaak wel wat eisen. Zo vragen veel pensioenfondsen een kopie van je notariële samenlevingscontract. Sommige verlangen dat daarin staat dat je “in elkaars levensonderhoud voorziet”. Het gaat om een zin als: ‘Partijen verplichten zich naar rato van hun netto inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.’ Verder kan een fonds eisen stellen aan jullie samenlevingsduur. Die moet bijvoorbeeld minimaal zes maanden zijn of soms minimaal vijf jaar.
Een nabestaandenpensioen kan draaien om heel veel geld. Bij overlijden doet je fonds namelijk net alsof je partner tot zijn 65e aan het fonds bijgedragen heeft. Van dat totale pensioen ontvangt de nabestaande vaak 70 procent. Het kan dus gaan om vele duizenden euro’s per jaar. Die duizenden euro’s moet je grijpen als het kan. Maar pas op, er kan een adder onder het gras zitten. Want gaat je relatie uit -wat bij samenwoners extra vaak gebeurt -dan moet je elkaar bij het pensioenfonds afmelden. Is je nabestaandenpensioen daar verzekerd “op risicobasis” dan heeft je ex daarna geen recht meer op jouw nabestaandenpensioen. Op risicobasis betekent dat er slechts nabestaandenpensioen verzekerd is zolang jij in het pensioenfonds zit.
Bouw je echter nabestaandenpensioen op, dan heeft de aan- en afmelding vaak wél financiële gevolgen. In dat geval krijgt je als ex-huisgenoot, of je nu samenwoonde of was getrouwd, in principe het nabestaandenpensioen mee dat tot aan de breuk is opgebouwd. Dit heet bijzonder nabestaandenpensioen. Overlijdt jij dan eerder dan die ex, dan heeft je ex recht op dat bedrag, al ben je al decennia uit elkaar. Dat kan heel vervelend zijn voor een volgende partner. Stel dat je totaal 20.000 euro nabestaandenpensioen hebt opgebouwd, maar 10.000 euro is toegekend aan je eerste partner. Dan krijgt je tweede partner maar 10.000 euro per jaar. Zo kunnen tweede, derde en volgende relaties, nog na decennia na een breuk, voor pensioentegenvallers zorgen.

Huiswerk voor huiseigenaar

In augustus 2003 heb ik een beleggingshypotheek van 265.000 euro afgesloten tegen 4,4 procent rente. De rentevaste periode eindigt in augustus 2010. Tegelijk met mijn hypotheek heb ik 130.000 euro in aandelen belegd om mijn hypotheek mee af te lossen. Deze zouden 8 procent per jaar stijgen, maar dat heb ik niet gehaald. Ook laat ik van deze beleggingen elke maand 450 euro overboeken naar mijn girorekening. De waarde is inmiddels gezakt naar 119.000 euro. Nu zit ik met de volgende vragen: 1. Ik zou hier heel graag blijven wonen, maar maak me zorgen dat het te duur wordt. Moet en kan ik iets doen?
2. Mijn belastingvoordeel van de hypotheekrenteaftrek is 457 euro per maand. Mijn zoon (nu nog thuis) wordt in november 18 jaar. Heeft dit veel invloed op het bedrag dat ik terug krijg van de belastingdienst?
3. Valt er iets zinnigs te zeggen valt over de te verwachten rentestand in 2010?
Antwoord
Alleen een helderziende kan jouw vragen concreet beantwoorden. Je zegt namelijk niets over je inkomsten een uitgaven. Als je een geweldig inkomen hebt, hoeft er weinig aan de hand te zijn. Zit je krapper, wat ik vermoed, dan moet je eens flink gaan rekenen. Je situatie kan risicovol zijn of worden als de hypotheekrente in 2010 omhoog zou gaan, wat mogelijk is. Om meer inzicht te krijgen, stel ik voor dat je op korte termijn -dit weekend bijvoorbeeld- het volgende huiswerk maakt.

Nu kun je afleiden of je die opname uit je beleggingen van 450 euro per maand wel echt nodig hebt. Zo nee, dan zou ik daarmee stoppen. Je teert in op de vermogensopbouw voor je huis en waarschijnlijk betaal je elke maand 0,5 procent opnamekosten.

  • Zet ook al je bezit en schuld op een rij. Denk bij bezittingen aan: saldo’s op bankrekeningen, bedrijfsspaarrekeningen, beleggingen, spaar- of beleggingsverzekeringen, marktwaarde van het huis (reken je niet te rijk), uitgeleend geld, overig goed verkoopbaar bezit zoals een auto of caravan (schat de waarde niet te hoog). Denk bij schulden aan hypotheekschuld, persoonlijke leningen, rood staan, doorlopend krediet, autolening, belastingschuld, geleend geld van vrienden of familie, schulden bij postorderbedrijven, op klantenkaarten en creditcards.

Sta je er slecht voor? Of valt het mee? Als je naast je hypotheek andere schulden hebt, moet je beginnen met het aflossen van het duurste krediet.
Maak nu, eventueel ook met behulp van het Nibud, een schatting van je woonlasten bij stijgende rente. Maak een berekening met bijvoorbeeld 7, 8 en 9 procent en hou rekening met je belastingvoordeel. Ga na of je met een hogere hypotheekrente nog zou uitkomen.
Duik ook eens in je hypotheekvoorwaarden. Kun je desnoods eenvoudig en kosteloos van je hypotheek af? Bijvoorbeeld bij de verkoop van het huis of kun je je eventueel een groot bedrag kosteloos aflossen als de rente erg stijgt?
2. De leeftijd van je zoon heeft geen invloed op je hypotheekrenteaftrek. Wel kan het je uitgaven beïnvloeden omdat hij gaat studeren en misschien op kamers gaat. Ook voor die situatie kun je je toekomstige uitgaven plannen. Informatie over studiefinanciering staat op www.ibgroep.nl. Studenten van ouders met weinig inkomen kunnen een aanvullende beurs krijgen. Ook kunnen studenten (tot een maximum) bijverdienen zonder gevolgen voor hun studiebeurs. Met een beetje planning moet het lukken. Studenten moeten wel oppassen met lenen. Het is heel eenvoudig, maar terugbetalen valt vaak tegen. Vorig jaar kreeg een recordaantal van 75.000 (ex)studenten een deurwaarder langs. Meer over studie en geld lees je hier en hier.
3. De hypotheekrente in 2010 kan ik niet voorspellen (dat kan niemand). Voor mensen met woonlasten tot aan de lippen is het altijd essentieel om hun hypotheekrente lang vast te zetten.
Kom je er totaal niet uit zoek dan een betrouwbare financieel adviseur. Dat is niet eenvoudig, want veel adviseurs zijn gewoon verkopers. Hier vind je aanwijzingen en tips om het koren te scheiden van het kaf.

Investeer in verdienvermogen

De economische groei vertraagt en het aantal openstaande vacatures is sinds begin 2008 ietsje afgenomen, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek vorige week. Wie weet naderen we weer een tijdperk met economische tegenwind. Dat is allemaal niet zo erg, als je je financieel ook in slechtere tijden kunt redden. Dat lukt beter naarmate je onder alle omstandigheden inkomen weet te verdienen. Je hebt dan een goed ontwikkeld verdienver
mogen. Wie met die gave gezegend is, rolt van de ene baan in de andere, maakt elk eigen bedrijfje winstgevend en kan, als zijn werkgever failliet gaat, meteen overal weer aan de slag.

Talenkennis en ervaring

Verdienvermogen is niet hetzelfde als inkomen. Want stel je doet een extra opleiding of je loopt een jaar stage in Amerika. Dat kan veroorzaken dat je inkomen een tijdje lager is, maar dat kan zich later terugbetalen door extra talenkennis en ervaring. In het algemeen kun je meer en onder meer omstandigheden verdienen met een goede opleiding, ervaring, een brede inzetbaarheid, een enthousiaste instelling, aanpassingsvermogen, doorzettingsvermogen en een netwerk van contacten. Eigenlijk met al die kwalificaties waar organisaties om vragen in personeelsadvertenties. Organisaties zoeken bewust mensen met een goed verdienvermogen omdat het bijdraagt aan het hunne.
Bedenk dat niemand zijn verdienvermogen zomaar meekrijgt bij zijn geboorte. Je kunt het ontwikkelen. Dat gaat niet volgens een vast traject. De een begint met een forse portie aanpassings- of doorzettingsvermogen, terwijl een ander het moet hebben van een enthousiaste instelling of een hoge opleiding. Weer een ander leert veel van een jaar werken in het buitenland, van veel verschillende baantjes, een cursus of opleiding of een periode vrijwilligerswerk. Ook jij hebt vast al één of meer kwaliteiten. De inzet ervan kan op den duur leiden tot meer ervaring, bredere inzetbaarheid en/of een contactennetwerk, en dus tot een groter verdienvermogen.

Flexibilisering

Denk voor de ontwikkeling van je verdienvermogen niet alleen aan vaste banen. We leven in een tijd van flexibilisering, individualisering en reorganisaties. Je verdienmogelijkheden zijn groter als je meer aandurft dan een vast arbeidscontract. Je kunt, als dat beter uitkomt, bijvoorbeeld een tijdje kiezen voor freelance- of uitzendwerk, een eigen bedrijfje, een tijdelijke baan of een combinatie van die mogelijkheden. Vaak weet je pas achteraf hoeveel je ergens van hebt opgestoken en hoe dat op je inkomen uitwerkt. Wees gewoon actief, enthousiast en leergierig. Dan investeer je in verdienvermogen en red je je prima als het (straks) economisch minder gaat.

Tobben met de bijsluiter

Heb je ooit een financiële bijsluiter gelezen? Dat zou moeten als je financieel consumeert, iets wat we vroeg of laat allemaal doen. Je steekt bijvoorbeeld geld in een beleggingsproduct, sluit een hypotheek af, neemt deel aan een levensloopregeling of je koopt -stel dat je nooit nieuws leest- toch een studiebeleggingspolis (woekerpolis).
Een financiële bijsluiter is een document van één of enkele A4-tjes waarin de bela
ngrijkste kenmerken van een financieel product staan vermeld. Je leest er iets over het mogelijke rendement, de risico’s die je loopt, de gevolgen bij overlijden en tussentijds uitstappen, de instantie waar je met klachten naar toe kan en -heel belangrijk- iets over de eenmalige en de terugkerende kosten van je geldproduct.

Fouten

Heel handig, al die informatie bij elkaar. Maar dan moet die gegevens wél kloppen. Helaas schort het daar bij beleggingsfondsen vaak aan, constateerde de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) vorige week. Deze belangenorganisatie onderzocht alle 220 financiële bijsluiters van de in Nederland beursgenoteerde beleggingsfondsen en ontdekte dat een treurige 60,9 procent fouten bevat of niet aan de eisen voldoet.
Bij een op de drie fondsen wordt geen vergelijkingsmaatstaf voor de fondsprestaties genoemd, wat vaak wel de bedoeling is. Je belegt immers meestal in een fonds omdat je het beter wilt doen dan bijvoorbeeld de AEX-index of de MSCI World-index. Anders kun je beter (lees: met veel minder kosten) beleggen in een indexfonds. Op dat onderwerp kom ik zeker eens terug.
Biedt de bijsluiter wél een vergelijkingsmaatstaf, dan kan die fout zijn. Grote banken zoals ABN Amro en ING Groep vergelijken de prestaties van sommigen van hun fondsen inclusief het uitgekeerde dividend namelijk doodleuk met een vergelijkbare index zonder het dividend. Zo lijkt het of hun fonds het beter doet dan de vergelijkbare index. Dat is pure misleiding.

Totale kosten

Wat je beslist zou willen lezen in de bijsluiter zijn de totale kosten van je fonds per jaar. Die jaarlijkse kosten kunnen je fondsprestaties namelijk maken of breken. Zijn je kosten 1,5 procent per jaar te hoog, dan scheelt je dat, na 25 jaar beleggen, maar liefst 40 procent van je vermogen!
De kosten achterhalen is echter bijna onmogelijk. Het VEB-onderzoek laat zien dat aanbieders allerlei verschillende termen gebruiken om de totale kosten van een producten te beschrijven, zodat de klant totaal de weg kwijt raakt. Maar zelfs als die klant nauwkeurig leest, kan hij de totale jaarlijkse fondskosten niet uit de bijsluiter afleiden. Je krijgt namelijk hooguit de zogenaamde Total Expense Ratio (TER of kostenratio) voorgeschoteld, maar daar zitten, ondanks het woordje ‘Total’, de transactie- en rentekosten van je fonds niet in.
Een rekentrucje om zélf de totale jaarlijkse fondskosten te benaderen formuleerde de beleggingsinstelling Meesman Index Investments op basis van negen (wetenschappelijke) onderzoeken naar fondskosten. De Meesmanformule vraagt twee getallen die wél in de bijsluiter staan: de TER en de omloopsnelheid (in procenten van het beheerde vermogen). De geschatte totale kosten krijg je door de TER op te tellen bij 0,008 maal de omloopsnelheid (in procenten). Soms kom je dan uit op bizarre jaarlijkse fondskosten van meer dan 3 procent per jaar! Verdien dat maar eens terug!
Een fonds mag best wat kosten, mits de beleggingswinst het goedmaakt. Dat dit vaak niet lukt, kun je gratis checken op www.morningstar.nl. Zoek een fonds en klik erop. Er verschijnt een koersgrafiek met twee koerslijnen: jouw fonds en de bijbehorende index. En…?

Inflatie de baas

Omdat ik eerder wil stoppen met werken, probeer ik te plannen hoeveel geld ik voor de toekomst kan sparen en hoe lang ik daar mee kan doen. Nu vraag ik me af wat een realistisch “gemiddeld netto rendement” is. Stel ik spaar tegen gemiddeld 5 procent rente op de bank. Over dat spaargeld betaal ik elk jaar 1,2 procent vermogensrendementsheffing. Dan hou ik 3,8 procent rendement over. Maar stel nu dat de inflatie gemiddeld uitkomt op 4 procent. Zakt mijn netto rendement dan naar minus 0,2 procent,
een verlies dus? Anders gezegd: moet ik, bij 4 procent inflatie en 1,2 procent vermogensrendementsheffing, maar liefst 7,2 procent rendement maken om 2 procent netto vermogensgroei per jaar te bereiken? Zo ja, dan vrees ik dat ik dat ik nog een aantal jaren zal moeten blijven werken.

Antwoord:

Je redenering klopt, in principe. Toch is het onwaarschijnlijk dat je berekening precies uitkomt zoals je hier schetst. We kunnen namelijk niet in de toekomst kijken. Dat betekent overigens niet dat je berekening zinloos zou zijn. Je toekomstige (benodigde) inkomen berekenen heeft absoluut nut. Het geeft houvast, waardoor je niet, zoals veel gebeurt, nodeloos dure pensioenpolissen gaat afsluiten of je juist rijk rekent, terwijl je na je pensioen op een houtje moet bijten.
De onzekerheid rond belastingen, spaarrendement, inflatie valt wel te verzachten. Dat lukt door je berekening elk jaar opnieuw uit te voeren met de dan geldende rente, inflatie en belastingen. Wat ook helpt is dat je iets meer vermogen opbouwt dan je stikt genomen nodig zou hebben of dat je bereid en in staat bent om je uitgavenpatroon naar beneden bij te stellen. Beide helpen om tegenvallers op te vangen.
De meest waarschijnlijke tegenvallers zijn een lagere spaarrente of een hogere inflatie. Natuurlijk kunnen ook belastingen veranderen, maar dat gaat minder snel en heftig. Wel is er een behoorlijke kans dat je veel ouder wordt dan je nu denkt. Hou er rekening mee dat steeds meer vrouwen en mannen de negentig halen of zelfs de honderd. Daarom ben ik niet zo’n voorstander van vroeg stoppen met werken voor mensen die gezond en levenslustig zijn.
Rente en inflatie staan niet helemaal los van elkaar. In tijden van hoge inflatie is doorgaans ook de rente hoger. Wat je dan nog aan waardevermeerdering overhoudt heet de reële rente. Die kun je benaderen door de spaarrente en de inflatie in een tijdperk van elkaar af te trekken. Dat is een vuistregel, want ook de ontvangen spaarrente vermindert door inflatie in waarde. Een formule voor exacte berekening van de reële rente staat in Wikipedia. Die heb je voor jou planning overigens niet nodig.
Aan de rentestand kun je weinig veranderen (behalve de maximale spaarrente in de wacht slepen). Vind je de rentestand erg laag dan kun je wel besluiten méér te gaan sparen, zodat je toch je beoogde vermogensgroei haalt. Ook aan hoge inflatie is mogelijk iets te doen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek berekent dit cijfer door bij te houden wat een standaard pakket goederen ons kost. De inflatie stijgt bijvoorbeeld als autorijden, energie of uitgaan duurder worden. Heb je geen auto, weinig energiekosten en ga je nooit uit, dan heb je van die prijsstijgingen minder last van. Zo kun je je toekomst toch beïnvloeden.
Gratis hulp bij de jaarlijkse berekening van je pensioensituatie biedt www.spaarbox.nl. Op deze vrijwel reclameloze site kun je doorklikken naar de Pensioen Totaal Planner met rekenmodules voor oudedags- en nabestaandenpensioen, verlofsparen, levensloopregelingsparen en eerder stoppen met werken. Het interessante aan de site is dat ook spaargeld, beleggingen, lijfrentes, bijverdiensten en eventuele advieskosten in de berekening worden meegenomen. Bij een tekort biedt de Pensioen Totaal Planner diverse oplossingen met de benodigde inleg (vaak zelf sparen of beleggen). Deze site promoveert de leek tot een allround pensioenadviseur.

Studeren: plannen en ploeteren

Sommige dingen waren vroeger écht beter. Zo kon je eindeloos aan de universiteit studeren. Het collegegeld was een habbekrats, en als je ouders weinig verdienden, kreeg je bijna eeuwig een studiebeurs. Ik ken vijftigers die drie studies begonnen. Ze startten met bijvoorbeeld geschiedenis, switchten na twee jaar vrolijk naar wiskunde, hielden het daar na drie jaar voor gezien, om na een ontspannen studententijd van tien of twaalf jaar op hun 30e te eindigen als tandarts.
Tegenwoordig is studeren pla
nnen en ploeteren. Een studiebeurs in het hoger onderwijs heet een prestatiebeurs en dat is wat het lijkt. De overheid ondersteunt je met een basisbeurs, een OV-jaarkaart en, afhankelijk van het inkomen van je ouders, een aanvullende beurs, maar je krijgt niets voor niets. De bijdrage is in principe een lening. Dat krediet wordt je slechts kwijtgescholden als je binnen tien jaar een diploma op minstens hbo-niveau haalt. Alleen dan hoef je de basisbeurs, de aanvullende beurs en de OV-studentenkaart niet terug te betalen. Alles over studiefinanciering vind je op www.ibgroep.nl.

Kosten

Die tien jaar ondersteuning klinkt royaler dan die is. Gedurende dat decennium krijg je, bij een studie aan een universiteit of hogeschool, meestal slechts vier jaar een prestatiebeurs. Daarna kun je nog drie jaar lenen. Alleen voor langere studies (zoals geneeskunde) kun je langer dan vier jaar een prestatiebeurs krijgen. Doe je bijvoorbeeld na je wo-bachelor nog een tweejarige masteropleiding, dan krijg je één jaar extra prestatiebeurs. Stap je na je hbo-bachelor over naar een tweejarige master, dan krijg je ook één jaar extra prestatiebeurs.
Redt je het niet binnen de voor je studie toegestane duur, dan gaat alleen al het collegegeld je vanaf 2010, afhankelijk van je studie, 6.000 tot 15.000 euro per jaar kosten. Wie zijn studie niet binnen tien jaar afmaakt, moet bovendien ook zijn prestatiebeurs terugbetalen. Ook moet je je recht op studiefinanciering altijd opnemen binnen tien jaar nadat je voor het eerst studiefinanciering hebt ontvangen. Doe je dat niet, dan houdt het op, ook al heb je nog geen vier jaar prestatiebeurs of drie jaar lening verbruikt.

Zelfonderzoek

Lukraak iets leuks studeren kan dus niet meer zonder grote financiële gevolgen. Je moet precies weten wat je wilt, je studietempo plannen en flink aanpoten. Oriënteer je vooraf heel ruim, want overstappen van de ene naar de andere studie is meestal te duur. Het is logisch als je aan het einde van de middelbare school nog niet precies weet bij welk beroep of vak je hart ligt. Besef echter dat een studiekeuze je levensloop vaak ingrijpend beïnvloedt. Doe zelfonderzoek, bezoek (met je ouders) talloze opleidingen, ga na wat je ermee kunt doen, of dat bij jou persoonlijkheid past en of je met de opgedane kennis later op een leuke manier je brood kunt verdienen.
Weet je totaal niet wat te studeren, ga dan liever een jaar werken (in het buitenland) dan zomaar iets te kiezen. Bij de juiste studiekeuze is het plannen en ploeteren voor je studiefinanciering stukken minder zwaar.

Meer rente met de Depositometer

Elke zomer doen de media het rustig aan, maar de financiële wereld draait gewoon door. En hoe!
De kredietcrisis woekert, de aandelenbeurzen huilen, de economische groei hapert, de inflatie en hypotheekrente stijgen en onze huizenprijzen zijn voor het eerst in jaren minder gestegen dan de geldontwaarding. Consumenten raken nerveus, wat terecht is als je tot je nek in de (hypotheek)schulden zit. 
Als dat (nog) niet geldt voor jou, dan kan het verstandig zijn om die extra hypotheek voor een zwembad met jet stream, je derde badkamer of tweede keuken uit te stellen tot zekerder tijden. Ja, ook als je adviseur beweert dat je de investering dubbel en dwars terugverdient. De kennis van veel financiële raadgevers is nog steeds niet over om naar huis te schrijven. Deze zomer werd bekend dat sommige de voor hun vak vereiste diploma’s gewoon inhuren van een gepensioneerde collega voor vijf- tot achtduizend euro per maand.

Pensioenopbouw

Dan je pensioenopbouw. Die kan last krijgen van de gedaalde beurskoersen. Door de lagere aandelenprijzen –pensioenfondsen beleggen zwaar in aandelen- is al zo’n 50 miljard euro pensioenvermogen verdampt. Je fonds heeft op dit moment dus minder geld om zijn verplichtingen na te komen. Krimpt die pensioenpot té veel ten opzichte van de verplichtingen –dat heet een te lage dekkingsgraad- dan moet je fonds op last van De Nederlandsche Bank maatregelen treffen. Dat kan veroorzaken dat je pensioenpremie stijgt of dat je verwachte uitkering daalt.
Ook op de huidige hogere inflatie zitten pensioenfondsen en hun deelnemers niet te wachten. Al een derde van de pensioenfondsen kan de uitkeringen het komende jaar niet corrigeren voor inflatie. De koopkracht van pensioenen loopt daardoor achteruit. Het kan overigens nog wel even duren voordat jij daar iets van merkt. Minister Donner wil een onderzoek naar doorwerken tot je 70e verjaardag. Maak je er maar niet te druk over. Wie gezond leeft, haalt steeds vaker minimaal de honderd. Dan heb je toch nog 30 jaar vakantie.

Waarschuwen

Er was deze zomer ook positief financieel nieuws. Zo wil het ministerie van Financiën gaan waarschuwen voor de risico’s en kosten van leningen en hypotheken. Daarop zouden teksten moeten komen als ‘Geleend geld is duur’ en ‘Kunt u deze lening wel aan?’ Eindelijk! Er was een dramatische kredietcrisis voor nodig om onze bestuurders tot bezinning te brengen.
Niet lenen, maar sparen, is voorlopig een aanrader, want de spaarrente is lekker hoog. Handig is de net geïntroduceerde Depositometer. Op deze website, van de initiatiefnemers van de Spaarwinstcalculator, kun je heel eenvoudig achterhalen bij welke bank je je spaargeld het gunstigste een tijdje kunt vastzetten. Een maandje vastzetten, blijkt weinig zinvol, want direct opvraagbaar spaargeld kan meer opleveren. Een jaartje vastzetten, lijkt echter wél aantrekkelijk. Weet wel wat je doet, en hoe je met volledige zekerheid spaart en lees altijd alle voorwaarden.

Profiteer ervan zolang het kan

Nu Nederlanders, als vanouds, weer sparen als bezetenen, vechten banken om ze. Een belangrijk wapen is de spaarrente. Tot verdriet van de grote banken heeft de consument ontdekt dat een beetje extra rente honderden tot duizenden euro’s extra rendement kan opleveren. Dit zonder enig risico. 
Het begon eind vorig jaar allemaal met een uitglijder van de Po
stbank. Deze volksbank kwam in opspraak wegens het systematisch verlagen van de spaarrentes tot minieme niveaus van 0,5 en 1,1 procent. Deze guerrillaoorlog tegen de eigen klanten zou moederbedrijf ING in 2006 maar liefst 140 miljoen euro extra winst hebben opgeleverd. De Postbankspaarders betaalden het gelag. Op een spaarsaldo van 10.000 euro beurde men slechts 50 euro rente per jaar, terwijl men bij buitenlandse instellingen als Yapi Kredi Bank, AT Bank of Credit-Europe Bank toentertijd al netto 450 euro had kunnen krijgen, negen keer zoveel! Op dit moment schommelen de hoogste rentes zelfs rond de 5 procent.

Boos

De Rabobank is boos over dit enorme renteverschil, en dat zit zo. Alle banken met een Nederlandse bankvergunning betalen naar rato mee aan ons Depositogarantiestelsel. Legt een aangesloten bank het loodje, dan krijg jij de eerste 20 mille van je spaar- en betaalrekeningen bij die bank geheel vergoed, terwijl je van de volgende 20.000 euro 90 procent terugkrijgt. Voor en/of rekeningen gelden de dubbele bedragen.
De Rabobank, die naar eigen zeggen 40 procent van onze spaarmarkt in handen heeft, zal flink aan het garantiestelsel meebetalen. De kans is echter miniem dat de Rabobank failleert. Dat risico is groter bij kleinere banken (die hier neerstrijken uit den vreemde). Dat leidt tot oneerlijke concurrentie, vindt Rabo-topman Bert Heemskerk: ‘Feitelijk zeggen ze in hun advertenties: “U hoeft zich geen zorgen te maken. Als we omvallen, betaalt de Rabo de schade.”’
Heemkerk pleit ervoor het Depositogarantiestelsel zo te wijzigen dat spaarders ook 10 procent risico lopen op de eerste 20.000 euro die van hun spaarsaldo verloren gaat. Dan gaan spaarders namelijk weer eerder met de supersafe Rabobank in zee dan met een veel kleinere buitenlandse bank waarvan men de kredietwaardigheid niet doorziet. Hij heeft een punt, natuurlijk, en misschien moet het er ooit van komen. Gelukkig voor spaarders komt het huidige stelsel echter voort uit een Europese regeling. Dat soort dingen zijn waarschijnlijk niet een, twee drie te veranderen. Profiteer er dus van, zolang het kan! Tot die tijd kan je niks gebeuren, mits je spaarbank een Nederlandse bankvergunning heeft. Alles daarover lees je hier en hier.

Icesave

In het televisieprogramma Nova liet Heemskerk zich extra negatief uit over de nieuwe spaarbank Icesave van het IJslandse Landsbanki, die momenteel maar liefst 5,25 procent rente biedt, maar geen Nederlandse bankvergunning heeft. Zou Landsbanki bankroet gaan, dan moet je daardoor voor je eerste 20 mille bij Icesave een beroep doen op een IJsland’s bankenfonds. Heemskerk beoordeelde dat als riskant, wat best eens waar zou kunnen zijn. Banken met hoge spaarrentes vinden de kritiek van Heemskerk op de garantieregeling overigens “gezeur”. Directielid Peter Jernberg van Yapi Kredi stelde bijvoorbeeld: ‘Het probleem van Heemskerk is dat klanten hem vragen: waarom betaal je mij niet wat meer?’
Heerlijk hè, die concurrentie? Je bent als spaarder gek als je er je voordeel niet mee doet.

Woekeradvies

We wisten het natuurlijk al, maar eind vorige week heeft de Autoriteit Financiële Markten (AFM) het nog eens bevestigd in een rapport: de advieskwaliteit rond beleggingsverzekeringen is zwaar onder de maat. Een beleggingsverzekering is een levensverzekering waarin je een kapitaal opbouwt met beleggingen. Ze heten tegenwoordig woekerpol
issen
, omdat je er vaak te weinig aan overhoud.

Passend advies

De AFM onderzocht de manier waarop de 36 grootste financiële dienstverleners (verzekeraars, bankbemiddelaars en grote tussenpersonen) beleggingspolissen sinds juli 2006 aan de man brengen. Men bekeek of de klant naar huis gaat met een “passend” advies. De term “passend” heeft te maken met wettelijke eisen. Tegenwoordig moet een adviseur verplicht de financiële situatie en wensen van zijn klant schriftelijk inventariseren. Hij mag alleen iets adviseren dat in dat plaatje past. Bij beleggingsverzekeringen blijkt men zich daaraan meestal niet te houden. Slechts één op de vijf consumenten gaat met een passend advies naar huis. Een kwart van de polisklanten wordt zelfs matig tot slecht geadviseerd. Woekeradviezen dus.
Wat de wet passend vindt, is overigens niet per se een steengoed advies. Het beste advies is namelijk om nooit een beleggingsverzekering af te sluiten. Al vanaf 1999 is het fiscale voordeel van beleggingsverzekeringen stapsgewijs sterk ingeperkt. Alleen voor lijfrentes en voor polissen die aan je hypotheek zijn vastgeklonken (Kapitaalverzekering Eigen Woning) gelden nog beperkte fiscale voordelen. Bij lijfrentes is het fiscale voordeel afhankelijk van je jaarruimte. Bij beleggingspolissen in hypotheken mag je maximaal 145.000 euro (2008) vrij van vermogensrendementsheffing opbouwen.

Geweldig, toch?

Klinkt geweldig hè? Maar dat is het niet. Stel dat je die 145.000 euro inderdaad volmaakt. Dan zat er gemiddeld, over de hele looptijd 72.500 euro in je polis (aan het begin nul en aan het eind 145.000 euro). Dit scheelt je in het aller uiterste geval gemiddeld 870 euro vermogensrendementsheffing per jaar (in het begin niks, aan het eind het dubbele).
Voor die meevaller moet je zwaar bloeden. De verzekeraar slokt bijvoorbeeld 20 procent van elke premie op aan allerlei kosten. Daarnaast pikt de beheerder van je beleggingfondsen jaarlijks pakweg 2,5 procent van je beheerde vermogen in. Verder is de overlijdensrisicopolis in je KEW of lijfrentepolis doorgaans peperduur. Zo’n ding kun je vele malen goedkoper los afsluiten via een vergelijkingssite, want er heerst een prijzenoorlog.
Bovenop al deze kostenellende is een beleggingsverzekering de inflexibiliteit ten top. Als je er vanaf wil wegens een echtscheiding, emigratie of een tekort aan contanten, betaal je hoge afkoopkosten. Extra sneu is dat de beleggingsverzekering nog nadat de woekerpolisaffaire eind 2006 al was losgebarsten veel is verkocht en fout is geadviseerd. Ben jij of een familielid ook gedupeerd –die kans is groot- strijd dan voor compensatie. De drie belangrijkste belangenorganisaties die je kunnen helpen zijn www.woekerpolisclaim.nl, www.verliespolis.nl en www.consumentenclaim.nl.