Hé rapportschrijvers, de lezer is geen ploegpaard!
Ooit weleens een rapport van begin tot eind gelezen? Als een thriller die via situatieschets, onderzoeksmethoden en resultaten, naar de climax toewerkt? Zo ja, dan hoor je volgens rapportdeskundige Michiel Boswinkel tot een uitgestorven lezerssoort.
In zijn boek Rapportbestrijding – tegen de papieren plaag! (Van Duuren, mei 2010) opent hij de ogen van schrijvers die hun lezers niet zien. Boswinkel bedoelt daarmee dat rapportschrijvers hun publiek moeten aanwijzen. Het gaat immers niet om een roman. Als trainer voor een middelgroot adviesbureau komt hij nogal eens in organisaties waar na ieder project driftig een rapport geschreven wordt. Maar op de vraag voor wie het is geschreven, krijgt hij niet altijd antwoord. Of het wordt weggewuifd met het verweer: ‘Dat doen we altijd zo.’ Een rapport zonder publiek mag het daglicht niet zien, luidt Boswinkels devies.
Springerige lezers
Vrijwel iedere lezer stelt volgens Boswinkel dezelfde eisen aan een rapport: overzichtelijk, leesbaar en inhoudelijk relevant. Een voortdurende focus op doel, publiek en boodschap dus. Maar daarmee ben je er als schrijver nog niet. Die moet volgens Boswinkel eerst het idee uit zijn hoofd zetten dat de lezer alles leest. “Niemand begint meer vooraan en leest als een ploegpaard regel voor regel verder. Dat kan ook helemaal niet, want daar is geen tijd voor. Lezers springen daarom door teksten heen, op zoek naar antwoorden op hun vragen.”
De lineaire lezer bestaat niet meer, aldus Boswinkel.




Vakbonden opgelet. Op het moment van schrijven zit de 100-jarige



