Wat de asperge, de framboos en de Jacobsmossel gemeen hebben, is dat ze volgens de A.G.K. (algemeen geldende kooknormen) het best tot hun recht komen als je er zo min mogelijk capriolen mee uithaalt. Haal je het in je hoofd om dat wél te doen, dan klinkt al gauw van alle kanten een hartgrondig ‘Doe eens even normaal man!’ Aan het kookfront slaat de vlam net zo gemakkelijk in de pan als in de Tweede Kamer, heb ik gemerkt.
Zelf ben ik niet zo streng. Kijk, de asperges uit het dorp waar mijn moeder woont (u weet wel, die van dat mannetje op de dijk) zou ik van mijn levensdagen niet door de risotto gooien. Die moeten simpelweg worden gekookt, bij voorkeur in mijn moeders keuken, en daarna opgediend met ei, een aardappeltje, wat nootmuskaat en veel gesmolten boter. Verder geen fratsen. Maar ja, ik woon nu eenmaal niet in de buurt van zo’n dijkje. En zo’n bosje uit de supermarkt, dat ik door onvoorziene omstandigheden ook nog eens drie dagen te lang in de groentela heb laten liggen, werp ik zonder scrupules door deze heerlijke voorjaarsrisotto. Mensen die dat heel eng vinden, moeten nu hun ogen maar even dichtdoen.



