Op een dag besloten Volkskrantcollega Sylvia en ik dat we zelf worst zouden maken. Heimwee naar de saucisses van de Franse vakantieslager, frustratie over eeuwig emmerende kinderen aan tafel (behalve als de pot worst schafte), maar wellicht speelde ook culinaire competitiedrift een rol. „Ik koop het vlees wel.” „Nee, ik koop het vlees wel.” „Oké, maar dan regel ik de darmen.”
Er ging een week voorbij, waarin onze gesprekken zich concentreerden op varkensanatomie, vetpercentages, vleesmolens en vulmachines. Er werden filmpjes bekeken op YouTube, literatuur aangeschaft (Worst, paté en andere charcuterie uit de Franse Keuken van Jane Grigson) en diepte-interviews gehouden met PJ, onze gemeenschappelijke Haagse slager.



