Vorige week bracht ik een nachtelijk bezoek aan Rungis, even ten zuidoosten van Parijs. Ik was nooit eerder in ‘de buik van Frankrijk’ geweest, zoals de grootste versmarkt ter wereld ook wel genoemd wordt. En dus was ik van tevoren behoorlijk opgewonden. Iedereen die ik tegenkwam moest het horen: „Ik ga naar Rungis.” Om er vervolgens zo nonchalant mogelijk aan toe te voegen: „’s Nachts, natuurlijk. Overdag is er geen klap te beleven.”
Bijna iedereen was onder de indruk. Behalve vriend G. „Rungis,” zei hij dromerig, „dat waren mooie tijden.” Hoezo mooie tijden, nondeju. Vriend G. is tien jaar jonger dan ik, en zit bovendien in kunst en helemaal niet in het eten. „Doe even normaal, G. Jij bent daar nog nooit geweest. Je komt er als consument helemaal niet binnen.”



