Wanneer Alexander Polak in de kroeg over zijn hobby begint, wil het nog wel eens akelig stil vallen. Jagen? Onschuldige dieren doodschieten? Dat vinden zijn Amsterdamse medestudenten gemeen. Pas wanneer hij uitlegt waaróm hij jaagt en hóé hij jaagt, ontstaat er begrip. Soms. Want de jacht is en blijft een heikel thema. Verguisd door stedelingen. Voor boeren en buitenlui een vanzelfsprekende zaak. Kwestie van noodzakelijk natuurbeheer.
Mag je jagen eigenlijk leuk vinden? We lopen door een appelboomgaard ten noordwesten van Wijk bij Duurstede. De bomen zijn kaal – op een enkel, hevig blozend elstartje na. Polak is van top tot teen in het jagersgroen. Knickerbocker, waxcoat, jagerspet. Zijn jachtgeweer bungelt geknakt over zijn arm, de loop naar beneden. „Partout rechts”, klinkt het links van ons. Nog voor ik met mijn ogen heb kunnen knipperen, heeft Polak zijn geweer aangelegd en geschoten. Mis. Een haas rent razendsnel over het pad, tussen de bomen door, richting de vrijheid. Goed zo haasje, denk ik. Mijn killer-instinct moet nog ontwaken.



