Koken: Recht in het vizier van de jagers en BANG!

Zeggen dat je jagen leuk vindt, is eigenlijk een taboe

Wanneer Alexander Polak in de kroeg over zijn hobby begint, wil het nog wel eens akelig stil vallen. Jagen? Onschuldige dieren doodschieten? Dat vinden zijn Amsterdamse medestudenten gemeen. Pas wanneer hij uitlegt waaróm hij jaagt en hóé hij jaagt, ontstaat er begrip. Soms. Want de jacht is en blijft een heikel thema. Verguisd door stedelingen. Voor boeren en buitenlui een vanzelfsprekende zaak. Kwestie van noodzakelijk natuurbeheer.

Mag je jagen eigenlijk leuk vinden? We lopen door een appelboomgaard ten noordwesten van Wijk bij Duurstede. De bomen zijn kaal – op een enkel, hevig blozend elstartje na. Polak is van top tot teen in het jagersgroen. Knickerbocker, waxcoat, jagerspet. Zijn jachtgeweer bungelt geknakt over zijn arm, de loop naar beneden. „Partout rechts”, klinkt het links van ons. Nog voor ik met mijn ogen heb kunnen knipperen, heeft Polak zijn geweer aangelegd en geschoten. Mis. Een haas rent razendsnel over het pad, tussen de bomen door, richting de vrijheid. Goed zo haasje, denk ik. Mijn killer-instinct moet nog ontwaken.

„Jagen is een passie”, vertelt Polak. „Ik vind het heerlijk om te doen, eet ook graag wild. Maar dat betekent niet dat ik het zuiver voor de lol doe. Ik denk dat het slechte imago van de jacht vooral te wijten is aan onverantwoorde uitwassen. Aan de plezierjachten. In Engeland en in Hongarije bijvoorbeeld, worden dieren speciaal uitgezet voor het vermaak van de elite. Dat is een totaal andere vorm van jagen dan waar wij hier mee bezig zijn.”

Wij, dat is een gezelschap van twintig man, jagers en drijvers opgeteld. Boeren en fruittelers uit de buurt, een boekhouder uit de agrarische sector, de lokale dierenarts, een geschiedenisstudent uit Amsterdam. Plus drie jachthonden. Eén keer per jaar, in december, jagen ze samen op boventallig wild. „Een klein boerenjachtje”, volgens Toon Vernooij. In het dagelijks leven heeft hij een fruitbedrijf in Cothen. Appels en peren. Vandaag is hij de jagermeester; we jagen op zijn jachtveld, waarvan hij het pachtrecht erfde. Sommige deelnemers bejaagden dit gebied al met vader Vernooij. Zoals meneer Toon van Dijk. Hij schoot destijds ‘zo scherp als een scheermes’. Als er gejaagd werd in de omgeving van Wijk bij Duurstede, en er klonk één enkel schot, zei men: „Dat is Van Dijk.” Vijfentachtig is-ie, maar nog elk jaar van de partij.

Dat er dit keer ook een journalist mee mag, is niet vanzelfsprekend. Wat is precies de bedoeling? Wat ga ik schrijven? Jagers zijn zich maar al te bewust van de beeldvorming die kan ontstaan door een negatief verhaal in de pers. Tegelijkertijd pleit de Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging voor meer openheid. „Wij hebben niets te verbergen”, vertelde persvoorlichter Zweitse Lulof van de KNJV me een dag eerder aan de telefoon. „Wat we doen, doen we om de natuur in evenwicht te houden. Het gaat echt niet in de eerste plaats om dat schieten of om consumptie. Het jachtseizoen duurt maar tien weken. Gedurende het hele jaar tellen we de dieren, planten waar nodig wallen aan, hangen nestkasten op, overleggen met de provincie en waterschappen, maken wildbeheerplannen. Dan pas volgt het jagen. En alleen op het deel dat nodig is.”

Vandaag is het hard nodig hazen te schieten. Er zijn er veel te veel. Nu, aan het begin van de winter, gaat het nog wel, maar als er straks sneeuw ligt, knagen ze de stammetjes van de fruitbomen kaal. De schade kan aanzienlijk zijn, en de landeigenaar zal de jachthouder erop aankijken. Jagen is voor een jachthouder niet alleen een recht, maar ook een plicht, zoveel is duidelijk. „Laat er wel voldoende over voor volgend jaar”, instrueert jagermeester Vernooij ons tijdens zijn welkomstwoord. „En geen fazantenhennen. Daarvan heb ik er te weinig geteld. Maar een konijn, of een mooie fazantenhaan mag je oogsten.”

Het jagen vindt plaats in driften. Een drift is een gang over een akker of weiland of door een boomgaard. De jagers stellen zich op rij op, links en rechts van het jachtterrein. De drijvers lopen in één lijn vanaf de basis naar de overkant. Ze zwaaien hun stokken laag heen en weer. „Rrrrrr”, roepen ze. En „prrrrrr”. De hazen houden zich ineengedoken schuil in hun legers, ondiepe uitsparingen in de grond. Ze schrikken wanneer wij naderen en zoefff, daar gaan ze zo snel ze kunnen, in vliegende vaart over het veld. Recht in het vizier van de jagers.

Ik moet huilen. Tot mijn eigen verbazing schiet ik vol bij de eerste dode haas. Het is een schitterend schot. De hagel raakt hem in zijn kop. In één keer dood. Zo rent hij nog, zo ligt hij daar, bloedend uit zijn linkeroog. Hij móést dood, ik ga hem straks nog opeten ook, en toch vind ik het zielig. Zo’n mooi beestje.

Er volgen nog negen driften, drieënveertig hazen, twee konijnen en een fazant. Het went. Ik loop een drift mee met de dierenarts. Hoe zit dat, een genezer die bewust levens neemt? Hans Sickman geeft ruiterlijk toe dat hij geniet van de jacht, en van wild op zijn bord. „Maar ik doe het ook om de hazenstand gezond te houden”, legt hij uit. „Het weiland waarop wij nu lopen is een natuurlijke biotoop. Elke biotoop heeft een eigen draagkracht, dat wil zeggen dat er een bepaalde hoeveelheid dieren in kunnen leven. Zodra de hazenpopulatie te groot wordt, breken er ziektes uit. Door te jagen help ik die voorkomen.”

Drift, draagkracht, ik leer een boel nieuwe termen vandaag. Jagersjargon. De mooiste vind ik ‘weidelijk jagen’. Het is een rekbaar begrip. De ene jager vat het ruimer op dan de andere, maar een weidelijk jager houdt zich aan zowel de geschreven als ongeschreven jachtmores: minimaal de helft van het wild laten lopen, niet op zittende dieren schieten, en ‘ziek’ (aangeschoten) wild door de hond laten opsporen om het alsnog uit zijn lijden te verlossen.

De laatste drift (of eigenlijk de voorlaatste; de laatste bestaat uit een gezamenlijk glaasje Jachtbitter) loop ik op met Toon Vernooij. Het is me opgevallen dat de jagermeester zelf nauwelijks schiet. Ik schuif het op charmant gastheerschap; de gastjagers mogen eerst. Maar wanneer ik naast hem door een omgeploegde maisakker sjouw – mijn laarzen elk drie kilo zwaar van aanhangende klei – ontstaat het vermoeden dat dat niet de enige reden is. Als ik me niet vergis heeft hij stiekem meer plezier in een ontsnappende haas, dan in een geschoten haas. De jagermeester jaagt het weidelijkst van allemaal.

Er zoeft een haas voor ons langs. Op twintig meter, de perfecte afstand. „Partout”, roep ik, fanatieker dan ik voorafgaand aan dit avontuur voor mogelijk gehouden had. En wat doet Toon Vernooij? Hij laat hem rennen, het ranke, langgerekte bontlijfje scherend over de koude grond. Ontsnapt, in de richting van het Amsterdam-Rijnkanaal. Bewonderend kijken we hem na. „Een slimme haas,” lacht de jagermeester. „Die mag blijven tot volgend jaar.”

Ode aan een haas

Reageer