Hoog zomer. De ‘r’ is nog maar net uit de maand en toch is het mosselseizoen zojuist begonnen. Vorige week donderdag lagen de eerste zwarte schelpen te glanzen in de viswinkel. Dit weekeinde verschenen op menig menukaart de eerste mosselpannetjes. Heerlijk natuurlijk. Maar hoe zit het met dat seizoen? Vroeger at je toch mosselen van september tot april? Vergaat het de mossel soms net als andere (voormalig) seizoensproducten, de aardbei en de sperzieboon? Hebben we de natuur weer eens naar onze hand gezet?
Dat valt mee. Hoewel-ie wordt gekweekt blijft de mossel een natuurproduct dat zich niet volkomen naar onze eetlust plooit. Het gezegde over die ‘r’ in de maand stamt uit lang vervlogen tijden. In de zomermaanden, van mei tot en met augustus, was het simpelweg te warm om levende mosselen te transporteren. Er waren nog geen koelwagens, en het wegennet was minder geavanceerd dan nu. Op een of andere manier is dat ezelsbruggetje blijven hangen bij de consument.
Maar is het dan nog wel eens géén mosseltijd? Toch wel. Van april tot en met juni planten mosselen zich voort. In die periode is het beter ze met rust te laten, opdat er twee jaar later (zo lang doet een mossel erover volwassen te worden) opnieuw iets te oogsten valt. Bovendien hebben mosselen in deze periode al hun krachten nodig om nageslacht te produceren (ze scheiden wittig spul af dat ‘melk’ heet). Ze zijn dan mager en minder lekker (de vis is eruit, zeggen mosselkwekers).
Naarmate de zomer vordert komen de schelpen weer wat beter in hun vlees te zitten. Het mosselverhaal is vergelijkbaar met dat van haring. Mosselen eten plankton. Hoe warmer het zeewater is, hoe meer plankton, hoe meer de mosselen te eten hebben, hoe sneller ze groeien en hoe vroeger het mosselseizoen begint. Meestal is dat rond half juli. Dit jaar hadden we een warme voorzomer en is het seizoen vroeg begonnen.



