Behalve Pippi Langkous ken ik maar één kind dat niet van snoep houdt. Wat er ook wordt uitgedeeld, dit meisje schudt ongeïnteresseerd haar hoofd. Merkwaardig. Alle andere kinderen die ik ken zijn er namelijk net zo gek op als grote mensen op geld. Snoep is hun raison d’être.
Zodra je het s-woord laat vallen beginnen hun oogjes te glinsteren. Lego, stiften en nunchuk veranderen op slag in waardeloze bijzaken. Snoep! Nog voor je de p hebt uitgesproken zwermen ze om je heen, de mollige klauwtjes zwevend boven de schatkist, als grijparmen boven een bak vol goedkope horloges op de kermis. En dan begint het. Het gemarchandeer.
‘Hoeveel mogen we er?’ ‘Hoezo, hoeveel mogen we er? Eén natuurlijk.’ ‘Maar hij neemt een lolly en dat is veel meer dan een winegum.’ ‘Dan neem jij toch ook een lolly.’ ‘Nee, ik wil geen lolly. Ik wil drie winegums, want dat is net zoveel als een lolly.’ ‘Net zoveel wat?’ ‘Gewoon, net zoveel. Hoeveel mag ik er nou?’ ‘(Zucht)… Je mag twee winegums.’



