Of het echt waar was van mijn plotselinge tofuliefde, zo sms-te vriendin L. maandag nadat ze mijn stukje in deze krant had gelezen. L kent mij langer dan deze week. Als wij samen uit eten gaan, bestellen wij liefst een koe en een kalf en een heel paard half. Toen ik deze zomer bij haar op kraamvisite ging, had ik geen kado voor de baby bij me (sorry kleine W, ik ga het helemaal goed met je maken), maar een rauwe ossenhaas van ruim een pond om zijn geboorte vieren. L en ik zijn carnivoren. En een carnivoor eet geen tofu.
‘Echt heus waar’, sms-te ik haar terug. Want het is echt heus waar. Ik ben een carnivoor én ik houd sinds enige tijd van tofu. Weg zijn mijn vooroordelen over sponzige bloedeloosheid en geitenwollensokkengeur. Tofu blijkt een product dat je grondig moet leren kennen voor je het gaat waarderen.
Sponzig, inderdaad, maar juist door die eigenschap in staat elke smaak die jij eraan wilt geven in zich op te zuigen. Bloedeloos? Profiteer gewoon van z’n fletse karakter; tofu is een kameleon die op commando van gedaante verschiet.



