Het was op vakantie in Galicië, in het bochtige noordwesten van Spanje, waar de oceaan nooit ver weg is. Op de kade van een vissershaventje stond naast een zinken bak op pootjes een man in een nat duikerspak. Dit was geen watersporter. Dat zag je aan zijn gezicht en aan zijn mimiek. Methodisch spoot hij met een tuinslang zand van tussen donkere, geurige beestjes, een soort zeepokken op rubberen steeltjes. Dit was menens. Het zijn percebes, zei de duiker zonder op te kijken.
Eendenmosselen, vertaalde het woordenboek later, Lepas anatifera om precies te zijn. Het blijkt een verre neef van de kreeft. En, had de duiker beloofd, daar smaakt hij ook een beetje naar.



