Janneke Vreugdenhil

Berichten door Janneke Vreugdenhil

Janneke Vreugdenhil (1968) schrijft dagelijks in nrc.next over haar favoriete onderwerp: eten en blogt daarover op www.nrcnext.nl/koken. Op zaterdag doet ze datzelfde in NRC Handelsblad, en elke vrijdag maakt ze een simpel, snel, (meestal) gezond en bovenal lekker recept op nrc.tv. Daarnaast schrijft ze kookboeken en publiceert in allerlei tijdschriften. Janneke’s website is www.etenenzo.nl

Mijn man vindt het een wijvendrankje. Dat zal iets met de kleur te maken hebben, die teer is en roze als de dageraad, maar allicht heeft ’t ook met smaak van doen. Rabarber en likeur zijn vrouwendingen, zoals grote stukken gebraden vlees en bier mannendingen zijn.
En zoals het concept beer can chicken (een complete kip gespiest op een halfleeg bierblikje, geroosterd op de barbecue) slechts aan een mannenbrein kan zijn ontsproten, zo moet het een vrouw zijn geweest die voor het eerst op het idee kwam om alcohol te infuseren met rabarber. Mars en Venus liggen lichtjaren uit elkaar.
Geen sprake van dus, dat ik rabarberwodka zelf zou hebben uitgevonden: het idee lag al generaties lang vast in mijn vrouwelijk DNA. Toen ik op een dag een rabarberstengel overhield na het maken van een crumble, kon ik niet anders dan hem in stukken snijden, in een glazen pot stoppen en overgieten met wodka, om hem een week te laten macereren, te zien hoe de schil de vloeistof langzaam naar poederig roze deed verkleuren en te proeven hoe het kostelijke aroma zich nestelde in het vocht.
lees verder

Bij Pasen hoort een paastaart. Nu is algemeen bekend dat banketbakkers en kooktijdschriften vinden dat daar zoveel mogelijk advocaat en slagroom aan te pas moeten komen, pastelkleurige chocolade-eitjes, paarse linten, pluizige kuikentjes en meer van dat soort Paas-parafernalia, maar daar trek ik me niets van aan. De taart die ik ieder jaar met Pasen bak, de taart van Nina, heeft niets frivools, niets hoera-het-is-lente-achtigs, of het moeten de 12 eieren zijn die erin gaan.

Met mijn gezin woonde ik ooit een paar maanden in het zuiden van Portugal, en Nina was onze buurvrouw. Op bestelling bakte ze koekjes en taarten voor restaurants en winkels in de omgeving – een vorm van huisnijverheid die in Portugal nog veel voorkomt. Ik zat graag bij haar in de keuken. Zoals zij balletjes rolde van amandelspijs om er koekjes van te bakken, of zoals ze met een verweerde houten lepel beslag roerde voor amandeltaart; ik kon geen genoeg krijgen van de rust en vaardigheid waarmee ze eindeloos dezelfde handelingen verrichtte. lees verder

Soms, wanneer ik zalm eet, moet ik denken aan Therese, ’t meest flegmatische meisje op aard. Tja, dat was wat met haar, altijd zo stil en bedaard. Alleen als ze zwom had ze ’t echt naar d’r zin. Wanneer ze een vijver zag, plonsde ze erin. En dan zwom ze, om en om. En ze zwom en ze zwom en ze zwom.

Het is best een treurige geschiedenis eigenlijk. Therese’s fietsclubje wordt uitgemoord, haar verloofde begrijpt haar niet, en op haar trouwdag eindigt ze in een schaal mayonaise. (Mayonèèèze, zingt Wim Sonneveld zo heerlijk smeuïg.) Dat komt, in haar vorig bestaan was Therese een zalm. Daarom was ze zo koel en zo kalm. lees verder

De Joodse Keuken was mijn eerste Claudia Roden. Ik las het van kaft tot kaft en daarna nog een keer, en in de loop der jaren maakte ik er talloze recepten uit. Nog steeds is het boek een feest om door te bladeren, en telkens opnieuw te blijven hangen bij een van de vele anekdotische terzijdes, over het ontstaan van de bagel, over hilbeh (een schuimige gelei van fenegriekzaad; geweldig spul) of over traditionele maaltijden op Joodse bruiloften.
Zoals Roden schrijft over eten is maar weinigen gegeven. Ieder gerecht wordt zorgvuldig ingebed in de cultuur waaruit het voortgekomen is, ieder recept voorzien van een persoonlijke inleiding plus praktische tips. En dat alles op een bijzonder aangename toon, die nooit belerend is of verveelt.
lees verder

Net als veel Nederlanders kook ik regelmatig een potje buiten de deur. Om eerlijk te zijn zelfs vaker wel dan niet. (Toen er althans laatst een keer andijviestamppot op tafel kwam, vroeg mijn 7-jarige zoon: Mama, wat is andijvie? ) Maar de Indiase keuken is lang onontgonnen gebleven. Faalangst, naar ik vrees. Al die mysterieuze specerijenmengsels, moest je geen Indiase wortels hebben om zulke zaken te doorgronden?

Op een dag had ik mijn zoveelste curry-uit-een-potje gemaakt en was er klaar mee. Ik besloot een kookgoeroe te zoeken, iemand die mij kon leren hoe het nu precies zit. Welke specerijen passen bij welke? Wat serveer je waarbij? En vooral: hoe maak je een basic curry?

Mijn goeroe heet Camellia Panjabi. Ik leerde haar kennen via een allervriendelijkste Britse pensionado die een gesprek aanknoopte in een eethuisje in Essouira, Marokko. Geen idee meer hoe we van de Marokkaanse op de Indiase keuken kwamen, maar zijn tip ‘50 great curries of India’ aan te schaffen bleek goud waard. De recepten die erin staan zijn stuk voor stuk geweldig; helder beschreven en gefotografeerd, en zeer maakbaar. lees verder

Kon ik dichten, schreef ik vandaag iets moois over de lente. Een ode van vederlichte woorden geweven in dartele regels, iets met tintellichtluchten, bevende witte vlinders en experimenten in groen.

Maar een mens moet zijn beperkingen kennen; de naam is Gorter noch Gerhardt noch Dickinson. Een prozaïsche ode dan, een eerbetoon in romig, zachtgolvend pastel: risotto met jonge prei, saffraan, kalfsbouillon en een gepocheerd ei. lees verder

Je zou het een bescheiden jeugdtrauma kunnen noemen: kettingbrieven. Ergens in de late jaren 70 moet het fenomeen op zijn hoogtepunt zijn geweest, want als kind kreeg ik om de haverklap zo’n dwingend schrijven in de maag gesplitst.
‘Stuur deze brief door aan 5 anderen, en stuur een ansichtkaart/poezieplaatje/gulden naar de bovenste persoon op de lijst, dan krijg je 3150 ansichtkaarten/poezieplaatjes/guldens in de brievenbus.’ Sommige van die brieven sloten af met een gezellig: ‘Als je deze brief niet doorstuurt krijg je een ongeluk.’
Ik had het hart niet om zulke post te negeren, dus schreef de brieven braaf over, troggelde mijn vader postzegels en enveloppen af en wachtte als een puppy bij de brievenbus tot de beloofde buit zich zou materialiseren. Hetgeen nooit, niet één enkele keer, gebeurde.
Mijn eerste impuls toen ik onlangs een receptenkettingmail ontving was dan ook: delete. Maar stel je voor dat mijn mailbox zomaar zou volstromen met honderden fijne recepten van vrienden van vrienden en daar weer vrienden van? En was het plezier van lekker eten niet bij uitstek iets om met zoveel mogelijk mensen te delen?

lees verder

“Een ‘compacte krant’ betekent geenszins ‘minder krant’,” schrijft hoofdredacteur Peter Vandermeersch over het vernieuwde NRC Handelsblad, dat vanaf vandaag op tabloidformaat verschijnt. Zelfde inhoud, handiger verpakking. Is dat niet ideaal? En zou dat concept eigenlijk niet op meer dingen in het leven van toepassing moeten zijn, zeg, op eten?

Een bijdehante Bosschenaar schijnt onlangs een speciaal schoteltje te hebben ontworpen voor het beroemdste gebak van zijn stad. De Bossche bol is notoir lastig te eten. Zet er je tanden en de slagroom zit tot aan je oren. Doe het met een vorkje, en de bol vliegt van het schoteltje, pardoes in je schoot.

Ik heb er een paar maanden geleden nog eens een geprobeerd, bij bakkerij Jan de Groot aan de Stationsweg zelve uiteraard, want daar maken ze nog altijd de beste. Kansloos geklieder. Maar nu is er dus dat schoteltje, met in het midden een kegeltje waarop je de soes vast kunt pinnen. Slim bedacht. Alleen zou het allicht nog slimmer zijn om de bol zelf te restylen.

Zonder de inwoners van ’s Hertogenbosch voor het hoofd te willen stoten – ik zou niet durven tijdens carnaval – moet gezegd dat hun geliefde sjekladebollen feitelijk gewoon grote soezen gevuld met slagroom en geglaceerd met gesmolten pure chocolade zijn. Dat knappende glazuur maakt wel het grote verschil met moorkoppen, die het moeten doen met een armzalig laagje cacaovernis. U leest, lieve Bosschenaren, ik ben heus pro-Bossche bol. Maar vandaag pas ik er de NRC-formule op toe: compacter, maar beslist niet minder.

Voor een stuk of 40 eenhaps-soesjes:

  • 75 ml melk
  • 100 gram roomboter
  • 3 eetlepels + ½ theelepel suiker
  • ½ theelepel zout
  • 150 gram bloem
  • 4 middelgrote eieren
  • 400 ml slagroom
  • 150 gram pure chocolade

Verwarm de oven op 180 graden. Breng melk, 50 ml water, de boter, een halve theelepel suiker en het zout in een steelpan aan de kook. Neem de pan van het vuur en voeg de bloem toe. Roer stevig met een houten lepel, tot een deegbal ontstaat. Zet de pan terug op matig vuur en blijf een minuut roeren, tot het deeg lichtjes gaat glanzen. Stort het deeg in een kom en voeg, onverdroten roerend, de eieren toe. Vul een spuitzak met grove kartelmond en spuit kleine deegbergjes op twee met bakpapier beklede bakplaten (of gebruik twee lepels).
Bak de soesjes in ongeveer 20 minuten goudblond en gaar (open de ovendeur pas op zijn vroegst na een kwartier) en laat afkoelen op een rooster. Maak een kleine inkeping in de onder- of zijkant van de soesjes. Klop de slagroom op met suiker en vul ze hiermee. Laat de chocolade au bain marie smelten en doop de soesjes met hun bolle bovenkant in de chocola. Serveer wanneer de chocolade gestold is (of maak er terwijl de chocola nog kleverig is een mooie soesjesberg van.)

Een paar weken geleden gaf ik hier instructies voor het koken van kikkererwten: week ze volgens de aanwijzingen op de verpakking en kook ze gaar in ongezouten water, want als je zout toevoegt aan het kookwater van peulvruchten worden de schilletjes niet goed gaar.

Prompt kreeg ik een mailtje van kookschrijfster Klary Koopmans, die me erop wees dat dat van die schilletjes een kookmythe is. Peulvruchten worden net zo gaar met als zonder zout, en zelfs weken is niet per se nodig, volgens Klary, die zich weer baseerde op mede-kookschrijver Mark Bittman van de New York Times. lees verder

 Je zult op een dag maar besluiten geen vlees van zielige dieren meer te willen eten. En je zult tegelijkertijd maar een stiekeme passie hebben voor een zekere, obscure vleescreatie uit de snackbarwereld.
Zo iemand is C. Ze vertelde me dat ze na een aantal jaar nog steeds vierkant achter haar besluit om alleen nog keurig biologisch opgevoede dieren te consumeren stond, maar dat ze er heimelijk van droomde nog eens haar tanden te zetten in een berenklauw. Of ik niet een biologische berenklauw voor haar kon ontwerpen, was de vraag. lees verder