Berichten in de categorie Drank

 
 Je hebt gegeten en gedronken in een Italiaans buurtpizzeria. Je hebt betaald, maar net wanneer je op wilt stappen komt de baas aanzetten met een vijfliterfles fluorescerend geel vocht. Terwijl jij iets sputtert over aan je tax en morgen weer vroeg dag enzo, schenkt hij de glazen vol en dwingt je met al zijn Italiaanse charme tot een ad fundum.

Limoncello. Je houdt ervan, of je haat het, maar van iets er tussenin heb ik nog nooit gehoord. Zelf bevond ik mij jaren in het haatkamp. Niet alleen verlaat ik een restaurant graag met het bloedalcoholpercentage dat ik zelf heb uitgekozen, limoncello in reuzenflessen is zelden te zuipen. (‘Zelfgemaakt door mijn neef in Sorrento’, ammehoela, zelf voor een paar stuivers gekocht zul je bedoelen.)

lees verder

Mijn man vindt het een wijvendrankje. Dat zal iets met de kleur te maken hebben, die teer is en roze als de dageraad, maar allicht heeft ’t ook met smaak van doen. Rabarber en likeur zijn vrouwendingen, zoals grote stukken gebraden vlees en bier mannendingen zijn.
En zoals het concept beer can chicken (een complete kip gespiest op een halfleeg bierblikje, geroosterd op de barbecue) slechts aan een mannenbrein kan zijn ontsproten, zo moet het een vrouw zijn geweest die voor het eerst op het idee kwam om alcohol te infuseren met rabarber. Mars en Venus liggen lichtjaren uit elkaar.
Geen sprake van dus, dat ik rabarberwodka zelf zou hebben uitgevonden: het idee lag al generaties lang vast in mijn vrouwelijk DNA. Toen ik op een dag een rabarberstengel overhield na het maken van een crumble, kon ik niet anders dan hem in stukken snijden, in een glazen pot stoppen en overgieten met wodka, om hem een week te laten macereren, te zien hoe de schil de vloeistof langzaam naar poederig roze deed verkleuren en te proeven hoe het kostelijke aroma zich nestelde in het vocht.
lees verder

Zeker als het gepaard gaat met een dikke strot. Je proeft al niets omdat je neus dicht zit en als slikken ook nog pijn doet, wordt eten opeens een uiterst onaangename bezigheid. En wat is er dan nog wel leuk in het leven?

Ziek zijn zuigt nog harder, als het veroorzaakt wordt door een virus. Daar valt namelijk niets aan te doen. Wachten tot het over gaat, dat kun je eraan doen. Toch heeft iedereen wel een receptje klaar: ‘drie citroenen uitpersen onder een hete douche, terwijl je gorgelt met een rauw ei’. Het helpt net zo min als een antibioticum.

Maar aan machteloosheid willen we ons niet overgeven, dus klampen we vast aan de huis-tuin-en-keuken-middeltjes. Baat het niet, dan schaadt het niet. Wel zouden anti-oxidanten, zoals vitamine C, eventueel kunnen helpen bij het beperken van de schade die het virus aanricht aan onze cellen. Maar daar bestaat vooralsnog geen wetenschappelijk bewijs voor, heb ik mij door een bevriende arts laten vertellen. lees verder

Een van de origineelste feestjes die ik ooit bezocht was een bubbelspartijtje. Dat klinkt een beetje als de ballenbak van Zweeds meubelwarenhuis, maar het was veel leuker  (en bepaald niet geschikt voor kinderen): vrienden hadden in de eerste week van januari iedereen opgetrommeld om langs te komen met hun van oudejaarsavond overgebleven flessen mousserende drank, en een avond lang dronken we alleen maar champagne en champagne-achtigen. Het was fascinerend om te merken dat ik weliswaar van bijna elke prikwijn vrolijk word, maar dat qua smaak en mondgevoel toch echt de ene fles bruisend vocht de andere niet is.
Omdat de kookcolumn deze week in het teken staat van alle soorten mousserende wijn, ging ik nadenken over koken met champagne. Ik bedacht me al snel dat eigenlijk elke champagnesaus, -mousse en bonbon-met-champagnevulling die ik ooit heb geproefd, een teleurstelling was – de smaak is meestal niet van gewone witte wijn te onderscheiden, en de typische bruis verdwijnt geheel.

lees verder

„Van een borrel knap je altijd op,” pleegt een dierbare vriend te zeggen als wij weer eens afspreken in het café om het leven en de dingen door te nemen. Ik ben het volmondig met hem eens, met de kleine kanttekening dat het vooral de éérste borrel is waar je je heel prettig van gaat voelen. Toen ik laatst een avond had doorgebracht in Antwerps jenevercafé de Vagant, wist ik na 4 (5?) glaasjes Belgische jenever niet meer zo zeker of ‘opgeknapt’ nog wel de juiste beschrijving van mijn toestand was. lees verder

Zo, Janneke is weer een paar weekjes de hort op. Kunnen wij elkaar eens fijn diep in de ogen kijken en het hebben over Dingen Die Er Toe Doen. Onder het genot van een goed glas wijn, natuurlijk. Zelfgemaakt. Want zelf drank maken is namelijk helemaal niet moeilijk.

De alcohol in wijn, of enige andere drank, is een bijproduct van gistcellen bij het verwerken van suikers. Deze cellen eten dus suiker en plassen alcohol. Wat een leven. Helaas zit daar wel een limiet aan. Bij een alcoholpercentage van 15 procent overlijden de gistcellen, vergiftigd door hun eigen uitwerpselen. Wat een dood. Dat maakt dat je zonder kunstgrepen nooit drank kunt maken met meer alcohol dan het  voorgenoemd percentage. Die gist is verbazingwekkend makkelijk te krijgen. Broodgist uit de supermarkt kan gerust voor een eerste zelfbrouwpoging. En suiker, dat vormt evenmin een probleem. Dat vind je gewoon in je keukenkastje. Lekkerder wordt het natuurlijk als je de suiker uit fruit gebruikt. Denk aan druiven, uiteraard, maar ook appelen, pruimen,  vlierbessen of bramen. lees verder

Uit onderzoek in Wageningen is gebleken dat het dagelijks eten van krap drie ons rauwe groenten en vers fruit de kans op een beroerte met ruim een derde vermindert. Daarom hier de hele week recepten waarmee je daar lekker veel van binnen krijgt, zonder dat je het door hebt.

Weet je wat een ideale manier is om aan je dagelijks aanbevolen hoeveelheid rauwe groenten en fruit te komen? Sap. Probeer maar eens twee winterpenen (toch al snel vier ons) op te knagen.

Wedden dat het je halverwege de eerste al tegenstaat? Of probeer eens 300 gram kropsla te eten. Lukt je niet. Maar duw diezelfde rauwe groente door een sapcentrifuge en die drie ons lijken een fluitje van een cent. Wie trekt daar een vies gezicht? Groentesap kan heus heel smakelijk zijn. Maar dan moet je wel een beetje gevoel hebben voor het combineren van smaken. Broccoli met bietjes? Zou ik niet doen. Witlof met spinazie? Wordt veel te bitter. De truc is om de smaak een beetje fris te houden en liefst ook wat zoetig. Zelf maak ik om die reden graag een mix van groente en fruit.

lees verder

Het was (en is) warm in Rio de Janeiro. Dan moet je veel drinken, ik kon het ook niet helpen. Bovendien zijn veel Braziliaanse drankjes eigenlijk vermomde medicijnen. Van mijn lokale vrienden mocht ik bijvoorbeeld in de eerste dagen van mijn vakantie beslist geen água de coco drinken omdat ik, nou ja, verstopt zat, en kokoswater stoppend werkt. In plaats daarvan moest ik juist zoveel mogelijk suco de mamão (papajasap) drinken. Want papaja schijnt dan weer  te laxeren.

Onder het toeziend oog van Christo Redentor lurkte ik me trouwens in mijn tweede vakantieweek een ongeluk aan die kokosnoten, in de hoop dat het mijn maag en darmen, die ondersteboven, binnenstebuiten én achterstevoren waren gekeerd door een bedorven stukje vlees, zou kalmeren. Hetgeen nog werkte ook.

Afijn, dat enorme aanbod aan tropisch fruit reken ik toch wel tot de grootste attracties van Brazilië. In Ipanema struikel je over de suco-barretjes met een duizelingwekkend assortiment aan verse vruchtensappen. Braaf bestelde ik daar grote bekers suco de mamão com laranja, papaja-sinaasappelsap (alleen papajasap smaakt een beetje weeïg; je hebt iets zuurs nodig als tegenwicht). Sem açúcar, zonder suiker. Dat moest je er zeer nadrukkelijk bij zeggen, anders kreeg je drie volle scheppen suiker in je sap.

lees verder

Rio de Janeiro is meer een stad om te drinken dan om te eten. Het kostte mij in elk geval verbazingwekkend weinig moeite me aan te passen aan reisgenoot M., voor wie eten een noodzakelijk kwaad is, zoiets als je auto voltanken met benzine, terwijl hij drinken juist een hoger doel toedicht. Dit om maar even te uit te leggen waarom mijn culinair reisverslag hier eerst en vooral de vloeibare kant belicht.

Brazilië is uiteraard het land van de caipirinha’s. Maar vlak het bier niet uit. Iedereen drinkt er bier, als het even kan vanaf 10 uur ’s ochtends. Een tapbiertje heet een chop en een biercafé een choperia. Maar geliefder nog is bier drinken uit blik, gewoon op straat. Vooral nu het carnaval is, loop je elke honderd meter tegen een verkoper met een piepschuimen koelbox vol blikjes aan. lees verder