Berichten in de categorie Ovenschotel

Je zou het een bescheiden jeugdtrauma kunnen noemen: kettingbrieven. Ergens in de late jaren 70 moet het fenomeen op zijn hoogtepunt zijn geweest, want als kind kreeg ik om de haverklap zo’n dwingend schrijven in de maag gesplitst.
‘Stuur deze brief door aan 5 anderen, en stuur een ansichtkaart/poezieplaatje/gulden naar de bovenste persoon op de lijst, dan krijg je 3150 ansichtkaarten/poezieplaatjes/guldens in de brievenbus.’ Sommige van die brieven sloten af met een gezellig: ‘Als je deze brief niet doorstuurt krijg je een ongeluk.’
Ik had het hart niet om zulke post te negeren, dus schreef de brieven braaf over, troggelde mijn vader postzegels en enveloppen af en wachtte als een puppy bij de brievenbus tot de beloofde buit zich zou materialiseren. Hetgeen nooit, niet één enkele keer, gebeurde.
Mijn eerste impuls toen ik onlangs een receptenkettingmail ontving was dan ook: delete. Maar stel je voor dat mijn mailbox zomaar zou volstromen met honderden fijne recepten van vrienden van vrienden en daar weer vrienden van? En was het plezier van lekker eten niet bij uitstek iets om met zoveel mogelijk mensen te delen?

lees verder

Een paar weken geleden ontstond op het kookblog (www.nrcnext.nl/koken) een gesprek over het gebruik van de oven. Ik schreef bijna: ‘discussie’, maar dat was het helemaal niet; iedereen was het roerend met elkaar eens. Het ging erover dat het soms zo onoverkomelijk is om dat grote apparaat een bak  hitte te laten produceren, als je alleen even iets wil gratineren of één miezerig bolletje knoflook wil poffen.

Zelf probeer ik er een gewoonte van te maken om altijd meerdere gerechten tegelijk in de oven te zetten. Of een complete maaltijd. Dat past best, ook als je niet zo’n semi-professioneel, kamerbreed, roestvrijstalen geval hebt staan. En als de oven goed gevuld is heb ik geen last van schuldgevoel over onheus verstookte kilowatts.
lees verder

Het Britse kookprogramma Ready Steady Cook verdwijnt tot mijn grote verdriet van de buis. Hoewel er hysterisch in werd geschreeuwd, gegrapt en gekookt, was ik er toch nogal dol op. Het was zo’n programma, waarin eigenlijk elke dag exact hetzelfde gebeurde. Dezelfde volgorde, dezelfde presentator, dezelfde grapjes. Zeer verslavend, zo’n strak format. En tegelijkertijd heel rustgevend.
lees verder

Elke thuiskok heeft een veilige zone. Daarachter liggen onbereikbare en angstaanjagende projecten, zoals in mijn geval: Groot Gebraad. Stikjaloers ben ik op mensen die zonder blikken of blozen hele speenvarkens en halve lammetjes in de oven schuiven, een paar uur iets anders gaan doen en dan een perfect gegaard stuk vlees op tafel zetten. Ik begrijp grote stukken vlees niet. Wat gebeurt er van binnen? Is het nog half rauw of inmiddels uitgedroogd en taai? Laat mij maar voor 20 mensen ravioli in elkaar fröbelen of 3 kilo gehakt tot miniballetjes verwerken. Geduld, dat heb ik genoeg. lees verder

Ik vind de spruit de meest ondergewaardeerde groente van Nederland. Het is best een sneu verhaal, want hij kan daar zelf weinig aan doen. Hij dankt zijn dubieuze reputatie voornamelijk aan zijn geur: te lang gekookte spruiten produceren een zwavellucht waar je U tegen zegt.
Deze geur-issue en het feit dat spruitjes een truttig en kneuterig imago hebben maken de groente niet bepaald populair onder mijn generatie. De keren dat ik met veel plezier mijn bord spruiten heb leeggegeten zijn op één hand te tellen en ook leeftijdsgenoten hebben tot nu toe vrij weinig pogingen ondernomen om iets creatiefs te doen met de kleine groene stinkbommetjes.
In de jaren vijftig van de vorige eeuw waren spruitjes wel een geliefd product. In een oud kookboek van mijn grootmoeder worden spruiten nog op de antieke manier klaargemaakt. Ongeveer twintig minuten koken en met een flinke klont boter opdienen. Destijds was dit misschien ‘in overeenstemming met de moderne voedingsleer’, maar anno 2010 kun je het je gezinsleden niet aandoen om spruitjes langer dan tien minuten te koken.
lees verder

Verhuizingen en verbouwingen zijn niet leuk. Er hangt dagenlang metselschorrie, schildermorrie en ander bestelbusgeboefte in je huis rond. Vooral die keer dat een paar mannetjes van het vloerengilde een dagje voor een slordige vier mille stond te verpopnagelen, staat helder voor de geest. Voordat de heren de deur achter zich dichttrokken, draaide een van de trekhaaktronies zich om en zei, duimwijzend op de stapel houtschroot, grit en kromme, voetzoekende schietnieten: „So, u hep wel wat op te ruimen.”
Het gebruik van de keuken is dan meestal ook onmogelijk. Zoals toen dat, zich – noot voor de geluidsman: hier moet hysterisch gelach onder – ‘monteur’ noemend fornuistuig zei toch pas een week later de beloofde nieuwe apparatuur te kunnen leveren – en de oude natuurlijk al had gesloopt. Dan kan je kiezen: óf je veroordeelt jezelf die week tot bremzoute, vette afhaalmeuk, óf je kookt iedere dag een eenpansmaaltijd uit de elektrische magnetrongrill – die met die jaarringen in het interieur.
lees verder

Er komen vanavond twintig mensen bij me eten, maar dat zou je absoluut niet zeggen als je me hier ontspannen achter mijn laptop ziet zitten. Waarschijnlijk ben ik zo rustig omdat ik zelf niet jarig ben. Ik geef de partij voor iemand anders en mag zelf dus lekker in de buurt van het fornuis blijven. Als ik én moet koken én pakjes moet uitpakken én moet converseren gaat er bij mij altijd onherroepelijk iets fout. lees verder

Toen ik zeven jaar geleden verhuisde naar IJburg, een vinexwijk bij Amsterdam, waren er nog geen trams, geen geldautomaten en geen winkels. Dat had aanvankelijk een zekere charme, maar na een half jaar werd het toch vervelend dat je voor elk pak luiers een half uur moest rijden. Uiteindelijk vestigde een dappere ondernemer zich op het nieuw opgespoten land. In een klapperende tent opende hij een supermarkt, waar acht soorten diksap en ligakoek te koop waren, maar waar de sla er altijd wat sneu bij lag. Inmiddels heeft IJburg een heus winkelcentrum, met een visboer en een biowinkel, maar toch verlang ik nog vaak naar de groenteman waar ik de broccoli haalde toen ik nog in De Grote Stad woonde. Zo’n norsige  Amsterdammer was het, die goed wist te verbergen hoe aardig hij eigenlijk was. Zijn sperziebonen smaakten naar sperziebonen en hij verkocht verse, ongekookte krieltjes die hij ter plekke voor me in de schrapmachine wierp. Heerlijke aardappeltjes waren dat, die helemaal niets te maken hadden met die geel geverfde, rubberen balletjes die in de supermarktschappen liggen.
lees verder

Mijn oma serveerde vroeger op feestdagen steevast  een garnalencocktail. Onder in een wijnglas legde ze een blad botersla, daarop schepte ze een flinke hoeveelheid Hollandse garnalen en daarover lepelde ze wat zelfgemaakte mayonaise. Aan de rand van het glas hing een feestelijk schijfje citroen. Heerlijk. Nadat er jarenlang nogal misprijzend is gedaan over de garnalencocktail, kom ik ‘m tot mijn grote plezier ineens weer in allerlei restaurants tegen en is ‘ie weer helemaal hip. Gerechten kunnen blijkbaar net zo in of uit zijn als schoudervullingen en soulpijpen. lees verder