Ik heb lang moeten wennen aan het woord cheesecake. En ik moet me altijd ergens overheen zetten voor ik een hap neem van zo’n stuk zoete, kazige taart. Dat heeft simpelweg te maken met de naam. In mijn bekrompen, rechtlijnige wereld hoort een kaastaart naar kaas te smaken en als dat niet zo is komen zowel mijn smaakpapillen als mijn taalcentrum in opstand. lees verder›
Berichten in de categorie Toetje
Yoghurtijs met walnoten „Hoi, mijn naam is Stéphanie, en ik ben verslaafd aan kinderijs.” Als er een praatgroepje zou zijn voor mensen met een dergelijke verslaving, dan had ik inmiddels een vaste stoel toegewezen gekregen.
Neem nou dit stukje bijvoorbeeld. Dit stukje is grotendeels getypt met alleen mijn rechterhand. Niet omdat er iets mis is met de linkerkant, maar omdat die hand al in gebruik is door een knalgele ijslolly.
Zag u vandaag een bruinharig meisje van ergens in de twintig gelukzalig op een ijslolly knagen, dan bestaat de kans dat ik het was. Als de dame in kwestie ook nog een servetje om het ijsje had gewikkeld tegen koude handen, dan kan u er vrijwel zeker van zijn dat u een nrc next-columnist in het wild heeft gespot. Het ging mis na een recente ontdekking in het drankenpad van de supermarkt.
Pleidooi -vorige week- voor de wederopstanding van het souper kon rekenen op behoorlijk wat bijval. Al waren er natuurlijk ook mensen die me wijs probeerden te maken dat souperen slecht voor je is; ‘Laat op de avond eten’, zei iemand me, ‘is niet goed voor je spijsvertering en je wordt er dik van’. Welnu; het is misschien geen best idee om elke avond pas om elf uur aan te schuiven, maar zo nu en dan een feestje kan toch geen kwaad, lijkt me. Bovendien: wie zich op een uitgaansavond naar het centrum van een grote stad waagt en langs de fastfoodketens wandelt moet concluderen dat een overgroot deel van de Nederlandse bevolking tegenwoordig soupeert op plofkip met een patatje oorlog. Dan is een in limoen en gember gemarineerd visje en een stukje taart toch een gezondere optie, meen ik.
lees verder›
Mamma beer is altijd thuis / altijd achter ‘t kookfornuis. Deze zinnen spoken al twee dagen door mijn hoofd. Uit welk kinderboek ze afkomstig zijn weet ik niet meer, maar ze zijn me zo vaak voorgelezen dat ze onderdeel zijn geworden van mijn DNA. Dat deze wat ongeëmancipeerde regels nu ineens omhoog borrelen zal te maken hebben met mijn uithuizigheid van de afgelopen weken en de rust die nu is weergekeerd; Mamma beer mag eindelijk weer achter ‘t fornuis. Met de nadruk op mág. Want ik vind koken een voorrecht en ik heb het gemist de afgelopen tijd. Dat dagelijkse gehak, geroer en gekneed werkt ontspannend, inzicht verschaffend en stress-verlagend. Laat mij maar koken, dan scheelt therapie en yoga, dus tijd en geld.
lees verder›
Een verrassing in je eten vinden is niet iets wat ik associeer met een aangename ervaring. Eerder met een lange zwarte haar in m’n croissant of een beestje tussen de sla. Of met dat elastiekje waarvan de kok zou zweren dat het achter het fornuis was beland en daarom maar was gestopt met zoeken.
Ja, als kind wilden we allemaal een happy meal juist omwille van de verrassing. Maar eenmaal boven een bepaalde leeftijdsgrens gaan ‘eten’ en ‘verrassing’ gewoon niet echt meer samen. Als de asperges die op het menu staan er toevallig niet zijn die dag, en de zeewolf derhalve wordt geserveerd met witlof, dan heb je ook liever dat de ober dat van tevoren even komt vertellen in plaats van ze simpelweg op te dienen met een glimlach en een welgemeend „verrassing!!!”
Een tussengerecht of drankje dat u wordt aangeboden door de chef kán een leuke verrassing zijn. Maar als de chef je iets aanbiedt, is het meestal om iets anders goed te maken. lees verder›
Zoon en ik zijn allebei opgelucht dat de eerste, donkere maanden van het jaar voorbij zijn. En dat het weer licht is, als we ’s morgens ons bed uit moeten. Hij heeft mijn ochtendhumeurigheid geërfd en zat de hele winter als een boos, ineengedoken molletje aan het ontbijt. ‘Humeur’ is eigenlijk niet het goede woord. Het is meer dan dat. Het is ochtend-pijn. Ochtend-schmerz.
Ik weet nog goed hoe ik me voelde op die koude, donkere ochtenden, vroeger, in de keuken. Als er alleen oud brood was, met dingen erop die ik niet lekker vond. En keiharde boter waarmee je grote gaten trok in je overblijfboterhammen. Zo’n pesthekel had ik daaraan dat ik tot mijn moeders afschuw overstapte op Bona. Dat kon je tenminste smeren. Misschien was de overstap ook wel een eerste, puberale verzetsdaad. Roomboter was heilig thuis. En waarschijnlijk had het ook wel iets te maken met de reclame van Bona, waarin een dolgelukkige familie, na een rit met paard en wagen, knotsgezellig ging zitten picknicken in een weiland. lees verder›
“Een ‘compacte krant’ betekent geenszins ‘minder krant’,” schrijft hoofdredacteur Peter Vandermeersch over het vernieuwde NRC Handelsblad, dat vanaf vandaag op tabloidformaat verschijnt. Zelfde inhoud, handiger verpakking. Is dat niet ideaal? En zou dat concept eigenlijk niet op meer dingen in het leven van toepassing moeten zijn, zeg, op eten?
Een bijdehante Bosschenaar schijnt onlangs een speciaal schoteltje te hebben ontworpen voor het beroemdste gebak van zijn stad. De Bossche bol is notoir lastig te eten. Zet er je tanden en de slagroom zit tot aan je oren. Doe het met een vorkje, en de bol vliegt van het schoteltje, pardoes in je schoot.
Ik heb er een paar maanden geleden nog eens een geprobeerd, bij bakkerij Jan de Groot aan de Stationsweg zelve uiteraard, want daar maken ze nog altijd de beste. Kansloos geklieder. Maar nu is er dus dat schoteltje, met in het midden een kegeltje waarop je de soes vast kunt pinnen. Slim bedacht. Alleen zou het allicht nog slimmer zijn om de bol zelf te restylen.
Zonder de inwoners van ’s Hertogenbosch voor het hoofd te willen stoten – ik zou niet durven tijdens carnaval – moet gezegd dat hun geliefde sjekladebollen feitelijk gewoon grote soezen gevuld met slagroom en geglaceerd met gesmolten pure chocolade zijn. Dat knappende glazuur maakt wel het grote verschil met moorkoppen, die het moeten doen met een armzalig laagje cacaovernis. U leest, lieve Bosschenaren, ik ben heus pro-Bossche bol. Maar vandaag pas ik er de NRC-formule op toe: compacter, maar beslist niet minder.
Voor een stuk of 40 eenhaps-soesjes:
- 75 ml melk
- 100 gram roomboter
- 3 eetlepels + ½ theelepel suiker
- ½ theelepel zout
- 150 gram bloem
- 4 middelgrote eieren
- 400 ml slagroom
- 150 gram pure chocolade
Verwarm de oven op 180 graden. Breng melk, 50 ml water, de boter, een halve theelepel suiker en het zout in een steelpan aan de kook. Neem de pan van het vuur en voeg de bloem toe. Roer stevig met een houten lepel, tot een deegbal ontstaat. Zet de pan terug op matig vuur en blijf een minuut roeren, tot het deeg lichtjes gaat glanzen. Stort het deeg in een kom en voeg, onverdroten roerend, de eieren toe. Vul een spuitzak met grove kartelmond en spuit kleine deegbergjes op twee met bakpapier beklede bakplaten (of gebruik twee lepels).
Bak de soesjes in ongeveer 20 minuten goudblond en gaar (open de ovendeur pas op zijn vroegst na een kwartier) en laat afkoelen op een rooster. Maak een kleine inkeping in de onder- of zijkant van de soesjes. Klop de slagroom op met suiker en vul ze hiermee. Laat de chocolade au bain marie smelten en doop de soesjes met hun bolle bovenkant in de chocola. Serveer wanneer de chocolade gestold is (of maak er terwijl de chocola nog kleverig is een mooie soesjesberg van.)
Januari is de gouden maand, zo lazen we van de week in NRC Handelsblad. Althans voor sportschoolhouders en afslankkuurverkopers. Op stoppen met roken na, is afvallen waarschijnlijk het populairste goede voornemen. En dus een uitgelezen thema voor een kookrubriek in de eerste week van januari.
Het is direct ook het meest afgezaagde thema voor een kookrubriek in de eerste week van januari. Zo zouden we samen gezellig zelf knäckebröd en hüttenkäse kunnen maken. Of nog eens het mantra herhalen dat alles gezond is, zolang je het maar met mate nuttigt. Maar dat is saai en daarbij schieten we er niets mee op.
Om maar met de deur in huis te vallen: de ijsmachine heb ik niet gekregen, wél die minstens zo felgebeerde hapjespan-die-ook-in-de-oven-kan. Dat een paar mensen in het Sinterklaasgezelschap nogal meesmuilend deden over mijn prachtige Fissler-pan, is me niet ontgaan. Ik hoorde zelfs iemand mompelen dat ze het ‘een erg seksloos cadeau’ vond, maar daar trek ik me natuurlijk helemaal niks van aan. Dat die twee oeroude mannen tegenwoordig voor iedere Ingrid en Anita strings en push-up’s in de zak stoppen, vind ik persoonlijk nogal aanstootgevend. Die viezerik van een kerstman is ermee begonnen, maar tegenwoordig deelt ook Sint aan de lopende band kanten niemendalletjes uit. En dat heet dan ‘een romantisch cadeau’. Sorry, maar dan krijg ik echt liever een seksloze hapjespan.
Weinig gerechten smaken zo troostend als een crumble. Zo’n ovenschoteltje met fruit onder een kruimelig, krokant deeglaagje is bovendien in een handomdraai klaar; naar de bakker fietsen om een tompoes te halen duurt langer. Je kunt je er ook nog eens al je overrijpe peren en niet meer zo knappe appeltjes in kwijt, je huis gaat er lekker van ruiken en wie een crumble wil laten mislukken moet van goede huizen komen. Aan de slag dus.
Er zijn vele variaties in fruit en deeg mogelijk. Afgelopen week zag ik Nigella Lawson er eentje klaarmaken met aardbeien. Dat vond ze zelf geloof ik ook een beetje gek, zo out of season. Maar een crumble kan een hoop hebben: zelfs smakeloze, waterige knoeperds van aardbeien gaan in combinatie met suiker, citroen en deeg ineens enorm troostrijk smaken.
Schil en snij voor een herfstige variant vijf appels in niet te grote stukken en verwarm die in een pan met wat citroensap en -zest, bruine basterdsuiker, kaneel en een scheutje cognac of port. Doe er een takje rozemarijn bij en laat alles een paar minuutjes zachtjes stoven. Schep het fruit in een ovenschaal en verwijder de rozemarijn. Leg er nog wat stukken peer bij. lees verder›



