Blijf toch alsjeblieft thuiskok. U dacht dat een kerstdiner voor acht personen stressen was? Wat te denken van een viergangendiner voor vijftig man. Ik was afgelopen zaterdag chef puree. Dat betekende in de praktijk dat ik binnen afzienbare tijd met de bolle kant van een soeplepel vijftien kilo aardappel-knolselderijpuree door een fijne zeef moest zien te krijgen.
Toen het voorgerecht werd uitgegeven was ik nog steeds maar halverwege. Dus moest ik nog harder duwen en nog sneller draaien. En de puree moest natuurlijk ook op tijd weer warm zijn. Er zat maar een ding op: au-bain marie verder werken. Nu ben ik niet zo’n lange kok, dus stond ik boven mijn macht te passeren. Van de spierpijn kreeg ik de volgende twee dagen mijn rechterarm niet hoger dan mijn schouder getild. Wat een vak.
lees verder›
Berichten in de categorie Vis
Het is even slikken wanneer je begrijpt dat je, onwetend, jarenlang Russisch roulette hebt gespeeld. Zo zou je het eten van zelf gevangen rauwe makreel namelijk best kunnen noemen. Want wat wil het geval? Altijd in juli en augustus kolken de kustwateren van de Noordzee – en een goed deel van de noordelijke Atlantische Oceaan – van de scholen makreel, minitonijnen.
Ze waren schuldig tot het tegendeel bewezen was, de komkommers, de tomaten, de paprika’s, sla, augurken, radijsjes, aubergines, courgettes, bloemkolen, taugé, kiemen. Arme groenten. Met 40 miljoen kilo massaal vernietigd. Rücksichtslos, om maar eens een mooi Duits woord te gebruiken. En zolang de enige echte killergroente nog niet is ontmaskerd, gaat het zwartepieten gewoon door.
Nog een geluk bij een ongeluk, is dat de EHEC-bacterie de vroege zomer heeft uitgekozen om te pieken. Voor elke groentesoort die in het verdachtenbankje belandt, steekt er wel andere net zijn koppie boven de grond. In mei hadden we asperges, in juni doperwten, tuinerwten en nieuwe aardappelen, en juli is het seizoen voor zilte groenten als lamsoren en zeekraal. Over een scheurbuik-epidemie hoeven we ons voorlopig nog geen zorgen te maken.
Zwetend hing ik met mijn volle gewicht aan de steel van de spade. Bijna brak hij. Het was een onmogelijke opgave. Letterlijk leek het leek alsof ik een rots in tweeën probeerde te splijten. Wie beter keek, zag dat het rotsblok eigenlijk de onherbergzame schelp van een enorme oester was. Een creuse van anderhalve meter diep en zeker drie meter lang.
Met de schep in het slot gestoken probeerde ik uit alle macht het gevaarte open te wrikken. Ik voelde de hete adem van de Guinness Book of Recordsnotaris in mijn nek. Of nee, wacht, het was zijn bloed. Een kreeft van prehistorische afmetingen was het achterdek op gekropen en had de notaris in een krachtige knipbeweging gehalveerd.
Vlak voordat zeventien immense steurgarnalen het cruiseschip in het geheel deden kapseizen, werd ik wakker. U begrijpt, ik had een nacht-fruits-de-merrie.
lees verder›
Afgelopen weekend bezocht ik een culinair evenement in Alphen aan den Rijn. Ik was daar niet alleen omdat ik zelf van lekker eten houd, maar ook voor mijn werk als verslaggever bij de lokale krant van Alphen. Nu vind ik het moeilijk te zeggen of ik daar liever in mijn vrije tijd of voor mijn werk naartoe ga.
In je eigen tijd kun je op een dergelijk festivalletje lekker uitgebreid dineren onder het genot van een wijntje, geniet je van muziek van dat ene leuke bandje en wie weet maak je nog wel een dansje. Ondertussen kun je urenlang bijpraten met het gezelschap dat je hebt meegenomen en is het allemaal leuk, lekker, sociaal en heel gezellig. Aan de andere kant word je als verslaggever als een koningin ontvangen.
Tijdens interviewtjes bij de verschillende restaurantjes werd ik volgepropt met heel veel eten. Na de vraag, ‘Wat is het lekkerste gerecht op uw kaart’, kwam elke chefkok binnen vijf minuten met het bewuste hapje op de proppen. Of ik niet even wilde proeven, en of ik er niet een lekker drankje bij wilde drinken. ‘Mjum’, zei ik dan na een paar happen, terwijl ik over mijn buik wreef en mijn handen langs mijn wangen zwaaide.
Toen ik die middag aantekeningen maakte en chefkoks het vuur na aan de schenen legde, kon ik tussen het proeven door ook even aanschuiven bij een cursus barbecuen. Ik viel binnen terwijl de cursisten druk bezig waren met het maken van een barbecuesaus. Deze roze saus, gemaakt van tomaten en olie en pijnboompitten is binnen no-time klaar en doet het goed bij visgerechten.
Zoals bij onderstaande garnalenprikkers bijvoorbeeld.
- 15 grote garnalen
- handje pijnboompitten
- twee romatomaten
- 2 el fijngehakte peterselie
- 2 tenen knoflook
- snuf pittige paprikapoeder
- citroen olijfolie
- goede azijn
- versgemalen peper en zout
- lange satéprikkers
Maak allereerst een marinade voor de garnalen. Doe dit door een scheutje olijfolie, de peterselie, fijngehakte knoflook en peper en zout met elkaar te mengen. Leg de garnalen in het mengsel en zet een uurtje apart om te marineren.
Laat de garnalen vervolgens goed uitlekken en prik per drie op een satéprikker. Rooster ze op de barbecue, knijp er een half citroentje boven uit en serveer met het sausje.
Voor de saus rooster je de pijnboompitten in een droge koekenpan. Maal ze fijn met een vijzel. Snijd de tomaten klein en voeg toe aan het pittenmengsel. Blijf malen en doe er een snufje paprikapoeder, een scheutje azijn en een flinke hoeveelheid olijfolie bij.
Meng alles goed door elkaar en breng op smaak met peper en zout en wat citroensap. De saus mag lekker dun zijn. Proef tussendoor en voeg eventueel meer peper en zout toe.
De Britse reisjournalist Pete McCarthy had een Eerste Reiswet: ‘Koop bij aankomst eerst een lokale krant en ga dan een kroeg in.’ Een werkbare wet. Hij biedt een anker wanneer je net dat mondiaal inwisselbare luchthaveninterieur hebt verlaten en bent geïnstalleerd op een al even universeel ingerichte hotelkamer. Ik heb ook een Eerste Reiswet: ‘Vraag bij aankomst waar de vismarkt is’ – en koop dán een lokale krant, enzovoorts.
Het vooruitzicht van een koel betegelde hal met vissen, kwikzilver, nog nat van zeewater, niet die doffe loodkleur die de vitrinedieren bij de detaillisten hier ontsiert, werkt onmiskenbaar rustgevend. Misschien zijn er weer exotische soorten onder, plastic kratten met krabben, houten kisten met schelpen, gapende muilen van zeeduivels, garnalen in alle schakeringen oranje. Geen idee waarom dat kalmerend is, misschien is het een afwijking, maar dan ken ik veel meer patiënten.
Bezoekers van NAVO-bases weten: zorg dat je eet bij het Italiaanse contingent. De Britten geven hun soldaten in den vreemde meestal een dood gekookt ziekenhuismenu, de Duitsers serveren hun militairen vettig Raststätte-voedsel en de Amerikanen besteden hun catering deels uit aan de Burger King en de Pizza Hut. Italianen nemen hun eis voor culinaire kwaliteit daarentegen altijd in hun ransel mee en dat proef je.
De regel bleek onverminderd van kracht bij een bezoek vorige week aan de vliegbasis Decimomannu op Sardinië, waar de Nederlandse troep pindakaas, hagelslag en frites verkoos boven het lokale aanbod. Geen vragen meer, Edelachtbare. Gelukkig waren er buiten de omheining van de basis genoeg „Italianen” om heen te vluchten. Bovendien was dat een mooie gelegenheid om de Sardijnse keuken beter te leren kennen, in het nabij gelegen Cagliari.
lees verder›
Van sommige zaken begrijp je dat ze uit de mode raken. Dat die broeken met hangkruizen zo langzamerhand weer uit het straatbeeld verdwijnen vind ik bijvoorbeeld helemaal niet gek. Maar soms is het me een raadsel waarom iets ‘uit’ raakt.
Neem nou het souper. Onbegrijpelijk, vind ik het, dat de goede gewoonte om laat op de avond feestelijk te dineren zo op de achtergrond is geraakt. Het lijkt mij, in dit tijdperk waarin we om de oren gemept worden met retro-zus en vintage-zo, hoog tijd voor een come-back. Laten we Het Souper in ere herstellen.
‘Is het voor de kat’, vroeg de visboer gisteren. Een nog al ouderwetse opvatting, zeker voor een visboer. Ik had nog nooit wijting gegeten toen ik een half jaar geleden werd uitgenodigd om zelfgemaakte sushi te komen eten bij een vriend. Ik moest wel nog wat vis meenemen dan. Ik vroeg een (andere) visboer op die zaterdagmiddag tegen vijven om zijn verste vis. Dat was op dat moment een wijting. Ik kreeg ’m mee voor een euro. Maar die wijting was een schot in de roos.
Het is eigenlijk een perfecte vis voor sushibeginners. Het vlees is niet zo ‘vissig’ en zelfs in de verte een beetje zoet. Het is ook een lekker stevig visje, geen glibberige bedoening, heeft qua mondgevoel wat weg van tonijn. En het transparante vlees ziet er smakelijk uit als sashimi. Een oer-Hollands Noordzeevisje met soja en wasabi, dat is pas fusion.
lees verder›
De voorstelling waarin ik momenteel speel (Augustus, Oklahoma) begint al om zeven uur. Dat betekent dat er vanaf half zes wordt geschminkt en – dus – om klokslag 5 uur wordt gegeten. Niemand heeft dan nog erg veel trek, iedereen zit lusteloos wat in zijn salade te prikken of met de pasta te spelen. Rampzalig gevolg: tijdens de tweede pauze, als we nog een heel bedrijf te gaan hebben, worden we allemaal bevangen door de gillende geeuwhonger.
Dan begint het grote snaaifestijn. Op de gang bij de kleedkamers staat een tafel waarop elke avond iets eetbaars wordt neergezet, zodat iedereen die even ‘af’ is snel wat in zijn mond kan stoppen. Het begon – een paar weken geleden – met een simpel zakje chips. Maar ja, die is natuurlijk snel leeg, als je er met z’n dertienen in gaat staan graaien. lees verder›



