Toen ik zeven jaar geleden verhuisde naar IJburg, een vinexwijk bij Amsterdam, waren er nog geen trams, geen geldautomaten en geen winkels. Dat had aanvankelijk een zekere charme, maar na een half jaar werd het toch vervelend dat je voor elk pak luiers een half uur moest rijden. Uiteindelijk vestigde een dappere ondernemer zich op het nieuw opgespoten land. In een klapperende tent opende hij een supermarkt, waar acht soorten diksap en ligakoek te koop waren, maar waar de sla er altijd wat sneu bij lag. Inmiddels heeft IJburg een heus winkelcentrum, met een visboer en een biowinkel, maar toch verlang ik nog vaak naar de groenteman waar ik de broccoli haalde toen ik nog in De Grote Stad woonde. Zo’n norsige Amsterdammer was het, die goed wist te verbergen hoe aardig hij eigenlijk was. Zijn sperziebonen smaakten naar sperziebonen en hij verkocht verse, ongekookte krieltjes die hij ter plekke voor me in de schrapmachine wierp. Heerlijke aardappeltjes waren dat, die helemaal niets te maken hadden met die geel geverfde, rubberen balletjes die in de supermarktschappen liggen.
lees verder›