Na twee weken van kerstdiners, liflafjes en oliebollen is er begin januari geen grotere verademing dan gewoon eten. Gewoon als in aardappelen, groente, vlees. Als in voedzame soep. Stamppot. Een eenvoudige pasta misschien. Of ben ik een verstokte calvinist?
Ik begin in elk geval steeds meer op mijn moeder te lijken. Die gooide altijd op 2 januari de kerstboom de deur uit – Driekoningen was voor katholieken, niet voor ons – flikkerde witbeslagen kerstkransjes in de vuilnisbak en maakte zo korte metten met ieder spoor van voorbije feestelijkheden. Saai, vond ik dat. Saai, ongezellig en intens gereformeerd.
Maar laat ik nu hetzelfde doen. Al afgelopen zondag moesten de boom, Jozef, Maria en het kribbetje genadeloos het veld ruimen. Er hoefden gelukkig geen kerstkransjes te worden geëlimineerd, want die waren allang op, maar ik hoorde mezelf verzuchten, in de exacte bewoordingen en op exact dezelfde toon als mijn moeder dat vroeger deed: „Zo fijn dat alles weer gewoon is.” En ik meende het nog ook. lees verder›



