Snoep is net goud. Het is vanzelf al erg aantrekkelijk, maar wordt nog begerenswaardiger als je het omsmelt tot iets anders. Het meest omgesmolten snoepgoed is uiteraard chocolade. Je hoeft een in stukken gebroken reep chocola alleen maar zachtjes te verwarmen in een kom die je bovenop een pan met kokend water hebt gezet, en daarna kun je ermee doen wat je wilt.
Ongezouten pinda’s erdoor, kleine bergjes maken op een vel bakpapier, af laten koelen en je hebt pindarotsjes. Datzelfde kan met rozijnen en hazelnoten, maar ook met cornflakes of met cruesli. Of je doopt reepjes gekonfijt sinaasappel voor de helft in de gesmolten chocolade. Of een stukje noga op een stokje.
Met Snickers en Marsen, maar ook met After Eight, kun je trouwens een supersnelle dessertsaus maken. Snijd grote repen eerst in stukjes en laat ze daarna op een laag vuurtje smelten in slagroom. Roer tot je een mooie saus hebt en giet hem warm over vanille-ijs.
Berichten met de tag Peer
Deze week was gewijd aan de gezinshap. Praktische maaltijden die meestal een compromis vormen tussen de smaak van de ouders en die van de kinderen. Je wilt tenslotte niet elke avond bakkeleien over hoeveel hapjes er nog moeten worden gegeten voor het toetje is verdiend.
Dergelijke onderhandelingen zijn trouwens streng verboden door de opvoedpolitie, wist je dat? Als je een toetje als beloning gebruikt, zeg je eigenlijk dat het gezonde eten dat eraan vooraf gaat een straf is. En voor je ’t weet raakt zo’n kind daardoor verkeerd geprogrammeerd en zit het in zijn puberteit broodmager dan wel veel te dik bij de eetpsycholoog.
Het moet gezegd, er zit best logica in die redenering. Maar in de praktijk ken ik niet één gezin waar aardbeienyoghurt, dubbelvla of danoontjes géén smeermiddel vormen. Té effectief, denk ik.
Van het maken van appelmoes is het maar een kleine stap naar het stoven van peertjes. Natuurlijk, de groenteboer verkoopt ze rozerood gestoofd en al. Maar van zelf stoven gaat je huis zo heerlijk ruiken, en bovendien kun je ze iets extra’s meegeven. Steranijs, kardemom citrusschil of honing bijvoorbeeld.
Een stoofpeer is trouwens een stoofpeer omdat hij rauw oneetbaar is. Hij bevat meer vruchtvlees dan sap, terwijl dat bij handperen precies andersom is. De bekendste stoofpeer heet Gieser Wildeman. Dit kleine, bruine peertje heeft typerend korrelig vruchtvlees, en is er van oktober tot februari. Bij biowinkels en op de markt kun je ook andere soorten tegenkomen, vaak met mooie namen als Zoete Brederode en Zwijndrechtse wijnpeer.
Appels en peren. Je schijnt ze niet te mogen vergelijken, maar wie neemt het me kwalijk wanneer ik ze deze week samen behandel? Zonder aanzien des vruchts? Zonder te beweren dat peren lekkerder zijn of appels veelzijdiger? Zoals je van je eigen kinderen evenveel houdt, maar van ieder net weer anders, kun je ook best gelijkelijk verzot zijn op appels en peren.
Van appels vind ik het bijvoorbeeld briljant dat ze zoet en zuur tegelijk zijn. Die frisheid maakt dat ze nooit saai worden of weeïg. Als hun vruchtvlees bovendien hard en knapperig is – mijn favoriete soort appel – bevredigen ze niet alleen de smaakpapillen, maar ook het mondgevoel.
Vorige week bracht ik een nachtelijk bezoek aan Rungis, even ten zuidoosten van Parijs. Ik was nooit eerder in ‘de buik van Frankrijk’ geweest, zoals de grootste versmarkt ter wereld ook wel genoemd wordt. En dus was ik van tevoren behoorlijk opgewonden. Iedereen die ik tegenkwam moest het horen: „Ik ga naar Rungis.” Om er vervolgens zo nonchalant mogelijk aan toe te voegen: „’s Nachts, natuurlijk. Overdag is er geen klap te beleven.”
Bijna iedereen was onder de indruk. Behalve vriend G. „Rungis,” zei hij dromerig, „dat waren mooie tijden.” Hoezo mooie tijden, nondeju. Vriend G. is tien jaar jonger dan ik, en zit bovendien in kunst en helemaal niet in het eten. „Doe even normaal, G. Jij bent daar nog nooit geweest. Je komt er als consument helemaal niet binnen.”
Al ruim een maand geleden kreeg ik de eerste kerstnoodkreet in mijn mailbox. ‘Ik heb zestien mensen uitgenodigd voor een kerstdiner en ik kan niet eens koken. Help!’ Sorry, Marianne, maar daar was ik eind oktober nog niet aan toe. Nu wel. Deze week gaan we helemaal los op Kerst. Aanstaande vrijdag komt op de pagina’s Vanavond Uit & Thuis een volledig achtpersoons kerstdiner dat werkelijk door iedereen met twee linkerhanden te maken is.
Hier in deze rubriek gaan we iets anders doen. De komende dagen geef ik je recepten voor dingen die je nu alvast kunt maken, zodat je straks in een handomdraai een feestgerecht op tafel zet. Vandaag is dat een chutney van peren, rozijnen en gemberwortel, die geweldig smaakt bij varkensvlees. Onder het motto ‘een goede voorbereiding is het halve werk’ nodig ik iedereen uit om dit soort inmaakrecepten te delen op mijn weblog. Het lekkerste komt donderdag in de krant.
Als dessert eten we een krokant perentaartje met ahornijs (kijk op www.nrc.nl/kokenetc hoe het eruit ziet). Het taartje is snel gebakken en wie geen zin heeft in ijs maken, serveert er een goede kwaliteit vanilleroomijs bij.
Voor het perentaartje:
2 kardemompeulen
2 eetlepels kristalsuiker
75 g hazelnoten, grof gemalen
6 plakjes roomboterbladerdeeg, ontdooid
3 rijpe handperen (Doyenne du Comice)
citroensap
1 ei, losgeklopt
Kneus de kardemompeulen in een vijzel tot de zwartgrijze zaadjes eruit vallen. Verwijder de groene schilletjes en stamp de zaadjes fijn. Voeg de suiker toe en stamp en wrijf tot de suiker geurig wordt. Spreid de plakjes bladerdeeg uit op een met bakpapier beklede bakplaat en snijd ze bij tot een cirkel. Schil de peren, snijd ze dwars door het klokhuis in 8 schijfjes en wip er de zaadjes uit. Besprenkel met citroensap. Leg de plakjes als een waaier op de deegrondjes, verdeel er de hazelnoten over en bestrooi met kardemomsuiker. Kwast de deegranden in met ei. Je kunt de taartjes direct bakken, ongeveer 20 minuten op 210 graden voor het dessert even opwarmen. Of je kunt ze in de koelkast bewaren en tijdens het hoofdgerecht in de oven zetten.



